Lonen stijgen in 2004 met gemiddeld 0,2 procent



De lonen stijgen dit jaar tot nu toe met gemiddeld 0,2 procent. Dat is
2 procentpunt minder dan vorig jaar, toen de lonen gemiddeld nog met
2,2 procent stegen. Dit staat in de Najaarsrapportage over de
CAO-afspraken voor 2004 die door minister De Geus van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoekt twee
keer per jaar de belangrijkste afspraken in de grootste CAO's. De
peildatum van dit onderzoek ligt op 20 oktober 2004. Bij 71 CAO's met
in totaal 2,7 miljoen werknemers is de loonstijging in beeld gebracht.
Dit komt overeen met 51 procent van de werknemers waarop het onderzoek
betrekking heeft. Het gaat dus wel om een voorlopig beeld. Van die
CAO's zijn er 26 al voor 2004 afgesloten en 45 in 2004. Bovengenoemde
cijfers hebben betrekking op de gemiddelde stijging van de
CAO-contractlonen, ongeacht de ingangsdatum van de nieuwe CAO-afspraken
(niveaubasis). Wordt daarmee wel rekening gehouden en de
contractloonstijging omgerekend naar kalenderjaar (jaarbasis), dan
bedraagt de gemiddelde CAO-loonstijging in 2004 tot nu toe 0,6 procent.

In de Najaarsrapportage 2004 is bij de 122 grootste akkoorden (5,1
miljoen werknemers) gekeken naar afspraken op het gebied van flexibele
beloning en `employability' (bredere inzetbaarheid). Zo'n drie op de
vijf CAO's kennen afspraken over bijvoorbeeld eenmalige uitkeringen
en/of structurele eindejaarsuitkeringen. Uitkeringen die afhankelijk
zijn van behaalde resultaten of prestaties zijn minder gangbaar. Eén op
de vijf CAO's kent een afspraak over winstdeling en in één op de 6 (16
procent) CAO's is prestatiebeloning vastgelegd. Wat betreft
employablity is het belangrijkste instrument scholing. In 99 procent
van de CAO's zijn hierover afspraken vastgelegd. Van de CAO's kent
verder 44 procent afspraken over een persoonlijk ontwikkelingsplan,
terwijl één op de tien CAO's afspraken kent over de erkenning van
elders verworven competenties (kennis en ervaring die buiten het onderwijs zijn opgedaan).

Ten slotte is bij 115 CAO's (bijna 4,8 miljoen werknemers) nagegaan of
er afspraken zijn gemaakt over aanvulling van een uitkering bij ziekte
en arbeidsongeschiktheid. Uitgangspunt bij de analyse was het stelsel
zoals dat tot 1 januari 2004 gold, maar ook is nagegaan of de Wet
verlenging loondoorbetalingsplicht bij ziekte gevolgen heeft voor de
inhoud van nieuwe CAO-akkoorden. In 112 van de onderzochte CAO's is er
in het eerste ziektejaar sprake van een aanvulling tot 100 procent van
het loon. Een aanvulling op de WAO-uitkering in het eerste WAO-jaar is
vastgelegd in 83 procent van de onderzochte CAO's. Voor het tweede
WAO-jaar is in 36 procent van de CAO's aanvulling afgesproken en in het
derde WAO-jaar in 8 procent van de CAO's.

In 20 van de 45 akkoorden die tot stand zijn gekomen in 2004, is
aandacht besteed aan het tweede jaar van loondoorbetaling bij ziekte.
Een deel van de akkoorden bevestigt het recht op doorbetaling van de
wettelijke 70 procent van het loon, terwijl bij andere de
besluitvorming naar een later tijdstip is verschoven. In de nieuwe
akkoorden zijn tot nu toe geen afspraken gemaakt die leiden tot
toekenning van bovenwettelijke aanvullingen in het tweede ziektejaar.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: