Minister Plasterk heeft de gemeente Arnhem
gekozen als vestigingsplaats voor het Nationaal Historisch Museum.
Het museum heeft als doel historisch besef en kennis te versterken
bij een breed publiek, in het bijzonder scholieren. Dit gebeurt
door een overzicht te geven van de geschiedenis van Nederland, met
als uitgangspunt de canon.

Minister Plasterk (OCW) zei het zeer op
prijs te stellen dat ook Amsterdam en Den Haag zich de afgelopen
maanden hebben ingespannen om met aantrekkelijke voorstellen te
komen voor de huisvesting.

Keuze

De keuze was volgens Plasterk niet
makkelijk. Een combinatie van factoren heeft de doorslag
gegeven.

Met de keuze voor Arnhem ontstaat een
mooie combinatie van statelijke geschiedenis van Nederland in het
Nationaal Historisch Museum (NHM) en de volksgeschiedenis in het
Nederlands Openlucht Museum (NOM).

Het NHM wordt nabij het NOM gebouwd.
Hierdoor kan de primaire doelgroep van het museum, namelijk scholen
en gezinnen, gemakkelijk beide musea bezoeken.

De attractiewaarde van het NOM zorgt
ervoor dat schoolklassen, gezinnen met kinderen en ander
'onervaren' museumpubliek, makkelijk worden bereikt.

Samen met Paleis 't Loo en
Kröller-Müller Museum trekt het NOM zo'n 1,2 miljoen
bezoekers per jaar.

Ook het onderwijs (basis- en voortgezet
onderwijs) kent het NOM goed en komt er graag.

Scholieren vormen de belangrijkste
doelgroep voor het museum.

De minister kiest met de geografisch
centrale ligging van Arnhem ook nadrukkelijk voor goede
bereikbaarheid. Het kabinet draagt zo bij aan de gewenste regionale
spreiding van voorzieningen.

Kwartiermaker

Volgens de gemeente Arnhem kan het museum
in 2011 zijn deuren openen.

Minister Plasterk zal na de zomer van 2007
een kwartiermaker aanstellen. Hij krijgt tot taak een concept voor
het NHM als rijksmuseum te ontwikkelen. Ook moet hij een nieuw
gebouw laten ontwerpen en realiseren.

Voor de komende jaren, op weg naar de
daadwerkelijke realisatie van het museum, moeten spraakmakende en
vernieuwende programma's worden ontwikkeld ter versterking van
kennis en historisch besef bij een breed publiek.

Bron:OCW