De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het niet
invoeren van een minimumjeugdloon voor 13- en 14-jarigen, terwijl
dat wel is gebeurd voor 15-jarigen, geen verboden
leeftijdsdiscriminatie oplevert. Voor het maken van een onderscheid
tussen deze leeftijdscategorieën op het punt van een
minimumjeugdloon bestaat een redelijke en objectieve
rechtvaardiging. Het onderscheid sluit aan bij de ook
internationaal aanvaarde minimumleeftijd van 15 jaar voor
toetreding tot de arbeidsmarkt.

Achtergrond

Nadat op het verbod van kinderarbeid een
uitzondering is gemaakt voor bepaalde lichte werkzaamheden van 13-
en 14-jarigen, heeft de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid niet een minimumjeugdloon voor deze
leeftijdscategorie willen invoeren, zoals dat wel bestaat voor
15-jarigen. De vakvereniging FNV en de CNV Jongerenorganisatie zijn
daarop een procedure tegen de Staat begonnen om te bereiken dat dat
alsnog gebeurt. Zij stellen dat de Staat zich schuldig maakt aan
leeftijdsdiscriminatie.

Uitspraken rechtbank en hof

De rechtbank 's-Gravenhage heeft in haar
vonnis van 11 december 2002 geoordeeld dat inderdaad van
leeftijdsdiscriminatie sprake is. Het hof 's-Gravenhage heeft op
24 maart 2005 in hoger beroep deze beslissing van de rechtbank
bekrachtigd.

De procedure bij de Hoge Raad

Tegen de uitspraak van het hof heeft de
Staat beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
Advocaat-generaal mr. L. Timmerman heeft op 11 augustus 2006 in
zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd het arrest van het hof te
vernietigen en de zaak naar een gerechtshof te verwijzen.

Uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft de uitspraken van de
rechtbank en het hof vernietigd en de vorderingen van FNV en CNV
Jongerenorganisatie alsnog afgewezen. Daarmee is deze zaak
definitief afgedaan.

Voor 13- en 14-jarigen geldt evenals voor
15-jarigen weliswaar een uitzondering op het verbod van
kinderarbeid, maar voor de 13- en 14-jarigen gaat het om
niet-zelfstandige hulparbeid, om bijzondere werkzaamheden van
incidentele aard, omdat voor hen de prioriteit moet liggen bij het
volgen van onderwijs. De onder strikte voorwaarden voor deze
kinderen toegestane arbeid behoort niet gericht te zijn op het
verwerven van inkomen. Invoering van een minimumjeugdloon zou de
verkeerde indruk kunnen wekken dat inschakeling van deze kinderen
in het gewone arbeidsproces aanvaardbaar zou zijn. Daarom heeft de
Staat ervoor mogen kiezen wel, onder strikte voorwaarden, arbeid
door 13- en 14-jarigen toe te staan, maar niet ook voor hen een
minimumjeugdloon in te voeren.

Bron: Hoge Raad der Nederlanden