Nieuwe stap op weg naar sterke autonomie voor scholen



Scholen en andere onderwijsinstellingen kunnen in de toekomst hun bestuurlijke zaken in hoge mate zelf regelen. Zij krijgen de ruimte om dat op hun eigen manier te doen; voorwaarde is wel dat er een duidelijke scheiding tussen bestuur en intern toezicht is. De minister van Onderwijs treedt steeds meer terug en richt zich vooral op een goede besteding van het geld en de kwaliteit van het onderwijs.

Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal de minister nog bestuurlijk ingrijpen. Dat kan zij straks doen door in het uiterste geval een instelling een aanwijzing te geven. Daarbij gaat het niet om incidenten, maar om langdurig ernstig falen. In alle andere gevallen zijn de scholen en andere spelers in het onderwijsveld (zoals gemeenten, bedrijven, ouders, jeugdzorg) zelf aan zet.

Met deze aanpak zet minister Van der Hoeven een volgende stap op weg naar een grote mate van zelfstandigheid voor het onderwijs. Die autonomie kreeg zowel inhoudelijk (o.a. minder en ruimere kerndoelen, afschaffen basisvorming) als financieel (lumpsum) al eerder vorm. Met de brief over governance (goed bestuur), die de minister vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, geeft zij bestuurlijk invulling aan de wens van scholen voor veel meer autonomie. De minister kiest daarbij niet voor een blauwdruk van bovenaf, maar voor een lerende aanpak. Daarmee krijgen alle partijen in het onderwijs de ruimte om mee te denken over de nieuwe bestuurlijke verhoudingen.

Leerlingen, docenten en bestuurders dreigen steeds meer beklemd te raken tussen een wirwar van regels en een stapeling van toezicht. Het stelsel is verstard, terwijl leerlingen en studenten juist steeds meer maatwerk en verscheidenheid in aanbod wensen. Scholen en instellingen willen daarom de ruimte hebben om flexibel op die veranderende wensen in te spelen, om binnen de kaders van de wet creatieve oplossingen te bedenken voor actuele problemen.

De minister erkent deze breed gedragen wens van het onderwijs en wil daarom toe naar een open, dynamisch en lerend onderwijsstelsel. Daarbij moeten de rolverdeling, taken en verantwoordelijkheden van alle spelers in het veld duidelijk zijn. De rol van de overheid daarin is er een van bekostiging, selectief en sober toezicht en kwaliteitsbewaking. Om alle andere partijen goed in positie te brengen, is het nodig dat er een heldere scheiding tussen bestuur en intern toezicht komt. Het staat instellingen in het primair en voortgezet onderwijs vrij of ze daarbij kiezen voor een Raad van Toezicht dan wel dit op een andere manier willen vormgeven. Voor de overige instellingen wordt een Raad van Toezicht verplicht.

Daarnaast wil de minister de positie van leerlingen, ouders en personeel versterken. Dat gebeurt onder meer via een uitbreiding en aanscherping van het informatierecht. De school moet ook duidelijk aangeven hoe zij met individuele ouders omgaan. Dat zal onderdeel uitmaken van de zogenaamde zorgplicht waaraan een school moet voldoen. Uitgangspunt is en blijft verder dat het bevoegd gezag de eerstverantwoordelijke is voor de onderwijsinstelling. De rol van de gemeenten wordt een regisserende. Er is in de nieuwe aanpak geen directe bemoeienis van gemeenten met het interne beleid van scholen.

bron:OCW



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: