Zijne Excellentie Minister President
Dr. Mr. J.P. Balkenende
Postbus 20001
2500 EA  Den Haag                                                   OPEN BRIEF

Amstelveen, 16 augustus 2007

Excellentie,

De Herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog op 15 augustus en het einde van het zomerreces leek ons een uitgelezen gelegenheid om nader terug te komen op ons korte onderhoud van 12 januari j.l.

U was daarbij aanwezig met de voormalige minister van Financiën en Vice-Premier de heer G. Zalm en de eveneens voormalige minister de heer B. Bot van Buitenlandse Zaken, in gezelschap van de eveneens inmiddels voormalige staatssecretaris mevrouw C .Ross-van Dorp.

De staatssecretaris had op 22 mei 2006 toegezegd de inhoud van de NIOD rapporten, na bestudering, met ons -als legitieme vertegenwoordigers van de verschillende slachtoffergroepen uit de Indische Gemeenschap- te bespreken. Wij hebben er begrip voor dat dit gesprek door alle politieke verwikkelingen destijds geen doorgang kon vinden. Het bevreemdde ons dan ook, dat tijdens ons onderhoud op 12 januari geen enkele gelegenheid was ingeruimd voor een inhoudelijke discussie, en wij werden geconfronteerd met een kabinetsbesluit.

Het NIOD onderzoek, waarvan bij onze achterbannen hoge verwachtingen leefden, heeft meer dan vijf jaar en vijf miljoen Euro gekost. Niettemin werden de beide publicaties Indische Rekening (dr. Hans Meijer) en Sporen van Vernieling (dr. Peter Keppy) in feite door U en uw voormalige bewindslieden als ‘wegwerp’ publicaties afgedaan. Rapporten die gingen over gederfde inkomens van militairen en overheidspersoneel, die meer dan 40 maanden in Japanse gevangenschap onder de meest erbarmelijke omstandigheden hebben geleefd en zich ternauwernood in leven hadden gehouden, gescheiden van hun moeders, vrouwen en kinderen, die elders onder gelijksoortige barre omstandigheden verbleven.

Zouden uw huidige ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie de ontkenning van het blijvend recht op inkomsten van hun mensen politiek overleven?

Sinds jaar en dag wordt in onze rechtsstaat wederrechtelijke vrijheidsberoving met een dagtarief van idem zoveel euro gecompenseerd. Zelfs wanneer het potentiële buitenlandse terroristen betreft die wegens gebrek aan bewijs in vrijheid gesteld moeten worden.

Schadevergoedingen en herstelbetalingen konden eind jaren veertig/begin jaren vijftig niet op de goodwill van de toenmalige minister van Financiën de heer P.Lieftinck (PvdA) rekenen. Dat hebben niet alleen de overlevenden van de Holocaust moeten ondervinden, maar ook de slachtoffers van de Japanse bezetting in het toen nog Nederlandse ‘Rijksdeel in de Oost’. Herstelbetalingen, door Duitsland zo ruimhartig uitgekeerd, werden Japan kwijtgescholden. Ook waar het roof van goederen en vermogen van Nederlandse burgers betrof. En in tegenstelling tot Duitsland kan de Japanse regering zich nog steeds beroepen op het Vredesverdrag van 1951, met medewerking van de Nederlandse regering. Die er echter niet voor terugdeinsde om te weigeren de financiële verplichtingen die Japan werden kwijtgescholden, zelf op zich te nemen om de eigen burgers te compenseren, zoals de bondgenoten van weleer, Engeland, Canada, Australië en Nieuw Zeeland wel hebben gedaan.

 

Op 12 januari deelde U ons mee, dat het kabinet had besloten in de NIOD rapporten geen aanleiding te zien om het eerdere standpunt aan te passen.

Alhoewel uw kabinet op dat moment demissionair was hebt U, zonder consultatie van de Tweede Kamer, een voor een specifieke bevolkingsgroep belangrijke en finale beslissing genomen. Een beslissing van het kaliber waarvan uw kabinet in demissionaire status aan de Tweede Kamer had toegezegd, dat het kabinet zich daarvan zou onthouden.

Was dit dan een cruciale beslissing?

 

Wij zijn ervan overtuigd dat U, indien U de NIOD rapporten had gelezen -wij kunnen ons zeer goed voorstellen dat dit niet het geval was gezien de toen vigerende politieke situatie waarin uw kabinet verkeerde- U eerder met een voorstel was gekomen om de zaak op een ander tijdstip nog eens rustig inhoudelijk met ons te bespreken. Dat U het standpunt van minister Zalm als zodanig hebt onderschreven, is voor onze achterbannen nauwelijks te bevatten. Zij hadden hun hoop op U en uw partij gevestigd. Het moet U toch bekend zijn dat de ‘Lijn Zalm’ niet afwijkt van de ‘Lijn Lieftinck, de PvdA minister van Financiën die tot 1953 in de naoorlogse kabinetten had deelgenomen. In de visie van minister Lieftinck had ’het gezond maken van de economie’ een hogere prioriteit dan het rechtsherstel. Voor de joodse overlevenden van de Holocaust was dat een pijnlijke ervaring, die pas aan het begin van het millennium definitief kon worden afgerekend. Voor de mensen uit het voormalige Nederlands-Indië is dit nog steeds niet het geval.

De bekende rechtsgeleerde Wouter Veraart stelt dat ‘wat het naoorlogse rechtsherstel zo schrijnend maakte, was dat de Nederlandse staat in strijd met zijn eigen uitgangspunten de joodse getroffenen niet op dezelfde wijze heeft behandeld als alle andere Nederlanders. Deze ‘pijnlijke naoorlogse ervaring van voortgezet onrecht’ hebben de beroofde en berooide oorlogsslachtoffers uit Nederlands-Indië/Indonesië in nog sterkere mate moeten ervaren. Bij terugkomst in Patria vanaf 1950 moest een decennia lange strijd gestreden worden tegen ‘een voortgezet onrecht’ dat leidde tot ‘een tweederangs burgerschap’.

 

Vooral sinds 12 januari moeten we constateren dat deze strijd om erkenning -vooral politiek- voor een groot deel vergeefs lijkt te zijn geweest. Voor de mensen, die het drama in Nederlands-Indië/Indonesië aan den lijve hebben meegemaakt -en nog in leven zijn- is deze ontkenning van de politiek-morele verantwoordelijkheid onaanvaardbaar.

Temeer daar uit de NIOD rapporten overduidelijk blijkt dat de Nederlandse Regering de politiek morele plicht heeft haar eerdere standpunten aan te passen.

Daarom geven wij de strijd om een bevredigende afronding van het rechtsherstel niet op.

Wij stellen u voor om het gesprek met de Indische Gemeenschap te heropenen. Niet alleen op het staatsrechtelijke argument dat uw demissionaire kabinet op 12 januari niet gerechtigd was om ultieme beslissingen te nemen. Maar vooral om de rechtvaardigheid nu eindelijk eens te laten prevaleren voor een groep Nederlandse burgers, die ook recht hebben op een volledig rechtsherstel.

In verband hiermee leggen wij de conclusie van Veraart als deskundige aan U en uw kabinet voor, dat ‘de Nederlandse overheid bij de totstandkoming en ten uitvoerlegging in onvoldoende mate heeft ingezien dat de ongedaanmaking van de ontrechting, die de Nederlandse burgers tijdens de Japanse bezetting hebben moeten ondergaan, door hun terugkeer in Nederland een vereiste had moeten zijn’. De afronding van het rechtsherstel voor onze achterban is daarom ten principale een politieke aangelegenheid.

Om die reden doen wij een klemmend beroep op U en uw regering om de grondbeginselen van rechtvaardigheid en moraliteit alsnog te laten prevaleren.

Hierbij dient te worden uitgegaan van de daadwerkelijke feiten.

Het boek van de Indische Gemeenschap kan zo toch niet gesloten worden.

Met de meeste hoogachting,

J. van Wagtendonk
voorzitter Stichting Japanse Ereschulden

J. A. J. de Jong
voorzitter Stichting Vervolgingsslachtoffers Jappenkamp 

T. Hartman
voorzitter Stichting Mata Hari