Politieke wil belangrijke factor bij onderwijs aan meisjes



Terwijl sommige van de armste landen ter wereld enorme vooruitgang boeken in het verbeteren van de onderwijsmogelijkheden voor meisjes, blijft een aantal rijkere ontwikkelingslanden daarbij achter, volgens het zesde jaarlijkse rapport State of the World's Mothers van Save the Children. Niet alleen geld is dus van belang, ook politieke wil is een cruciale factor.

Op dit moment gaan wereldwijd meer dan 100 miljoen kinderen nog niet naar school. Het merendeel daarvan is meisje. De Verenigde Naties hebben in hun millenniumdoelstellingen afgesproken dat uiterlijk in het jaar 2005 wereldwijd evenveel meisjes als jongens naar school moeten gaan. 
 
Het Moederdagrapport van Save the Children geeft inzicht in de voortgang op dit gebied. Het geeft een rangschikking van ontwikkelingslanden gebaseerd op de vorderingen die ze in het laatste decennium hebben geboekt bij het op school krijgen en houden van meisjes. Het rapport benoemt ook 11 relatief arme landen waar snel duidelijke verbeteringen te zien zullen zijn in de levensomstandigheden van kinderen, onder andere als gevolg van beduidende vooruitgang op het gebied van onderwijs voor meisjes. 
 
Van de 71 ontwikkelingslanden die zijn onderzocht hebben Bolivia, Kenia, Kameroen en Bangladesh de meeste vooruitgang geboekt op het gebied van onderwijs voor meisjes. In elk van deze landen is het aantal meisjes dat naar school gaat substantieel gestegen en is ook veel succes geboekt om ervoor te zorgen dat ze hun school ook afmaken. Rwanda, Irak, Malawi en Eritrea hebben de minste vooruitgang geboekt, grotendeels als gevolg van een combinatie van factoren waaronder conflict, aids en snelle bevolkingsgroei. 
 
Het rapport kijkt ook naar de toekomst en benoemt 11 ontwikkelingslanden met de 'meeste kans van slagen', die in de komende 10 jaar kunnen rekenen op gezondere, kleinere gezinnen, lagere kindersterftecijfers en een hogere levensstandaard, mede als gevolg van blijvende inspanningen op het gebied van onderwijs voor meisjes. Deze landen zijn Bangladesh, Belize, Benin, Costa Rica, Cuba, Egypte, Gambia, Mexico, Marokko en Vietnam. 
 
Het succes (en de mislukking) van onderwijs voor meisjes heeft veel te maken met politieke wil en niet alleen met geld. Het rapport toont aan dat veel arme landen de kritieke rol erkennen die onderwijs voor meisjes speelt in de ontwikkeling van het land. Kenia bijvoorbeeld, heeft een bruto nationaal product (BNP) per hoofd van de bevolking van iets meer dan 1.000 dollar. Toch gaan, in vergelijking met Saoedi Arabië, waar het BNP 12 keer hoger ligt, in Kenia 22 procent meer meisjes naar de basisschool. 
 
De belangrijkste barrières voor meisjes om naar school te gaan zijn onder andere discriminatie, zorg van ouders om de veiligheid van meisjes, aids, gebrek aan docenten, boeken en aparte sanitaire voorzieningen, onvermogen om te betalen voor schoolgeld, uniform en transport, en culturele en religieuze normen. 
 
Het rapport biedt niet alleen inzicht in cijfers, maar vertelt ook de persoonlijke verhalen van meisjes in ontwikkelingslanden over hoe onderwijs hun leven heeft veranderd. Een voorbeeld: de 10 jaar oude Daniela woont in het plattelandsstadje Oruro, hoog in de Boliviaanse bergen. 15 jaar geleden zou ze weinig kansen hebben gehad om haar school af te maken. Vandaag is ze een enthousiaste leerling die haar zinnen heeft gezet op een professionele carrière. Zonder de enorme veranderingen in het onderwijssysteem in Bolivia zou dit niet mogelijk zijn geweest. 
 
Om dergelijke succesverhalen op meer plekken in de wereld werkelijkheid te laten worden biedt het rapport aanbevelingen om onderwijs aan meisjes te verbeteren, zoals het afschaffen van schoolgeld en andere kosten die meisjes weerhouden om naar school te gaan, het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs om meisjes op school te houden en het bevorderen van alternatieve vormen van onderwijs voor meisjes die slachtoffer zijn van aids, conflicten of natuurrampen.  
 
Het rapport State of the World's Mothers 2005 bevat ook de jaarlijkse Moederindex, die inzicht geeft in wat de beste (en slechtste) landen zijn om moeder en kind te zijn, door te kijken naar het welzijn van moeders en kinderen in 110 landen. Voor de zesde jaar op rij voeren Scandinavische landen de lijst aan. Nederland staat op de zesde plaats. Burkina Faso en Mali zijn gedeeld laatste. Het volledige rapport is te downloaden op www.savethechildren.nl
 
bron:Saven The Children



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: