De procedures voor de vervolging van Nederlandse militairen die tijdens militaire operaties in het buitenland worden verdacht van het plegen van strafbare feiten, zijn de afgelopen tijd aanzienlijk verbeterd. Dat concludeert de Commissie evaluatie toepassing
militair strafprocesrecht bij uitzendingen. Het rapport van de Commissie is vandaag door commissievoorzitter Borghouts aan de ministers van Justitie en Defensie aangeboden. Uit het rapport blijkt dat de procedures van het huidige stelsel van strafvordering in militaire zaken op een aantal punten kunnen worden verbeterd.

De Commissie is naar aanleiding van een motie van de kamerleden Van Baalen en Eijsink door de ministers van Justitie en Defensie ingesteld om te onderzoeken in hoeverre de geldende procedures van het huidige stelsel van militair strafprocesrecht en de toepassing daarvan bij operaties van Nederlandse militairen in risicogebieden, voldoen. Directe aanleiding voor instelling van de Commissie onder voorzitterschap van commissaris van de Koningin mr. H.C.J.L. Borghouts was de maatschappelijke en politieke onvrede over de vervolging van de sergeant-majoor Eric O.

Tijdens de 14 internationale militaire operaties waaraan Nederlandse militairen de afgelopen vijf jaar hebben deelgenomen, is een aantal militairen verdacht van het plegen van strafbare feiten. In een aantal gevallen heeft dit tot een strafzaak geleid. De Commissie constateert dat het strafrechtelijk onderzoek en de daarop volgende vervolging en berechting in veruit de meeste gevallen zonder problemen is verlopen. In een beperkt aantal zaken hebben zich echter knelpunten voorgedaan. Uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat de geconstateerde knelpunten voornamelijk voortkomen uit het ontbreken van een
aantal (formeel vastgelegde) procedures en een goede afstemming tussen de bij de strafvordering in militaire zaken betrokken organisaties: Defensie, het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee.

De Commissie heeft ook gekeken naar het wettelijk kader waarbinnen de strafvordering in militaire zaken plaatsvindt. In dit verband is aandacht besteed aan de juridische status van geweldsinstructies (de Rules of engagement, de aide-mémoire en instructiekaart geweldgebruik). De Commissie meent dat het huidige stelsel voldoende rechtsbescherming biedt aan de militair die stelt conform zijn geweldsinstructies te hebben gehandeld.
Niettemin acht de Commissie het, vanuit de gedachte dat de individuele militair een zo groot mogelijke rechtszekerheid dient te worden geboden, wenselijk dat in een op de huidige en toekomstige vormen van operationele inzet van Nederlandse militairen toegesneden specifieke wettelijke bepaling wordt voorzien. In dit verband verdient het aanbeveling om het toepassingsbereik van de specifiek op militairen gerichte strafuitsluitingsgrond genoemd in artikel 38 Wetboek van  Militair Strafrecht te verruimen.

De Commissie constateert dat er de afgelopen jaren door Defensie, het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee veel maatregelen zijn genomen en investeringen zijn gedaan om de procedures en de toepassing daarvan te verbeteren. Zo is door de Koninklijke Marechaussee het district Landelijke en Buitenlandse Eenheden opgericht om de kwaliteit van zowel de militaire politietaak als militaire basisvaardigheden te verbeteren. Het Openbaar Ministerie heeft de kennis en kunde in militaire zaken vergroot door het opstellen van een uitgebreid plan van aanpak en het afleggen van werkbezoeken aan
operatiegebieden door officieren van Justitie. Tenslotte is door het ministerie van Defensie de Militair Juridische Dienst Krijgsmacht opgericht met als doel het
kennisniveau van militair juristen die in het operatiegebied als juridisch adviseur van de commandant optreden te verhogen.

In aanvulling op de geconstateerde verbeteringen doet de Commissie in totaal 22 aanbevelingen, gegroepeerd rond vijf thema's: het wettelijk kader, procedures, toepassing procedures, kennis en kunde en communicatie en cultuur. De belangrijkste aanbevelingen zijn:

Geformaliseerd dient te worden dat de commandant van de militair in het opsporingsonderzoek als getuige wordt gehoord indien, gedurende een militaire operatie, een militair handelingen heeft verricht die een vermoeden van een ernstig strafbaar feit opleveren.

Geformaliseerd dient te worden dat de officier van Justitie overlegt met de commandant van de militair, voorafgaand aan het besluit een van een strafbaar feit verdachte militair naar Nederland over te laten brengen. Zonodig bespreekt de hoofdofficier van Justitie de terugkeer met de directeur Operaties bij de commandant der Strijdkrachten.

In het vervolgingsbeleid - dat in overleg tussen het Openbaar Ministerie en Defensie tot stand komt - terzake geweldgebruik tijdens militaire operaties, wordt de
strafuitsluitende werking van geweldsinstructies opgenomen als grond om van vervolging af e zien.

Door de wetgever wordt onderzocht op welke wijze - in aanvulling op het bestaande ettelijk kader - kan worden voorzien in een op de huidige en toekomstige vormen van nzet van Nederlandse militairen toegesneden wettelijke bepaling waarin de legitimatie an geweldgebruik conform de geweldsinstructies wordt opgenomen.

De taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en opleidings- en ervaringseisen van de erbindingsofficier voor de Krijgsmacht dienen door Defensie en de hoofdofficier te rnhem te worden geëvalueerd. Defensie, het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee dienen een protocol op te stellen met betrekking tot het informeren van de pers en het publiek over publiciteitsgevoelige incidenten.

Het begrip bij militairen voor de uitvoering door de Koninklijke Marechaussee van de militaire politietaak dient te worden vergroot.

Tot slot beveelt de Commissie aan twee jaar na invoering van de aanbevelingen een evaluatie te doen uitvoeren die tot doel heeft vast te stellen op welke wijze invulling is gegeven aan de aanbevelingen en wat daarvan de effecten zijn geweest.

bron:MinJus