De samenwerking tussen de Bureaus Jeugdzorg en de jeugd-GGZ-instellingen laat veel te wensen over. Daardoor moeten jongeren te lang wachten op hulp. Van het streven naar één loket voor dit deel van de jeugdzorg komt ook nog maar weinig terecht. Dit constateren de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie jeugdzorg in het gezamenlijke rapport Toegang naar de jeugd-GGZ kan sneller en beter.  De beide inspecties onderzochten in 15 regio.s steekproefsgewijs de samenwerking tussen de bureaus jeugdzorg en jeugd-GGZ instellingen. Slechts in één regio is de gewenste geïntegreerde aanpak geslaagd.

De meeste Bureaus Jeugdzorg (BJZ) doen lang over het voortraject en geven daarna een te algemeen indicatiebesluit voor hulp af.  Daardoor start de jeugd-GGZ alsnog een eigen  intaketraject.  Daarnaast sluiten de onderlinge werkwijzen van BJZ en de jeugd-GGZ  onvoldoende op elkaar aan. Als de behandeling bij de jeugd-GGZ is begonnen, heeft het Bureau Jeugdzorg geen zicht meer op de behandeling van de jongere. Hierdoor kan de BJZ onvoldoende nagaan of het behandelplan aansluit op het indicatiebesluit dat het Bureau  Jeugdzorg opstelde. Ook blijkt dat veel jongeren door vooral huisartsen direct worden doorverwezen  naar de jeugd-GGZ, terwijl dat via het Bureau Jeugdzorg zou moeten lopen. Hiermee komt de intentie van de Wet op de jeugdzorg, namelijk het zorgen voor één loket voor jongeren met problemen, in het geding.

In het gezamenlijke rapport van de inspecties doen zij aanbevelingen aan de minister en de staatssecretaris van het ministerie van VWS. Zo moet het werk van BJZ en jeugd-GGZ naadloos op elkaar aansluiten, waardoor er bijvoorbeeld geen dubbele intakegesprekken meer plaatsvinden. Verder moeten  er concrete afspraken worden gemaakt over de uitwisseling van de cliëntgegevens tussen Bureau Jeugdzorg en de jeugd-GGZ. Ook de verwijzing van Bureau Jeugdzorg naar de GGZ-instelling moet veel sneller. Het onderzoek van beide inspecties is verricht in het kader van de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg.

bron:IGZ