Schiedammer Parkmoord: Schiedammer Parkmoord: Requisitoir OM hoger beroep



Die man, F. genaamd, roept naar een fietser die net aan komt rijden, en
deze fietser, de verdachte B., belt als eerste het alarmnummer 112. Dat
tijdstip staat vast: om 18.07 belt hij de 112 centrale en met de
meldkamer van de politie spreekt hij inhoudelijk 18.08.11 uur.

Al snel zijn meer mensen ter plaatse, want niet alleen komen veel
mensen door dat park als ze na het werk op weg zijn naar huis, ook is
er die avond een wielervierdaagse aan de gang. Bovendien lopen er nogal
wat trimmers en wandelaars die hun hond uitlaten.

Een van de deelnemers aan de wielvierdaagse ontdoet Maikel van de
schoen die strak om zijn nek is gebonden. Ik kom daar nog uitgebreid op
terug.
Maikel vertelt zo goed en zo kwaad als het gaat dat zijn vriendinnetje
nog in de bosjes ligt en mensen die gaan kijken zien inderdaad nog een
lichaam op de grond liggen, maar blijven op veilige afstand en zeggen
allen, als zij later door de politie als getuige worden gehoord, het
lichaam niet te hebben aangeraakt.

Wel beschrijven zij wat zij zien:"Ik zag dat de voeten,benen en rug
geheel ontkleed waren, de rest van het lichaam was met iets bedekt. Ik
kan u niet zeggen waarmee."
"Ik heb het gezicht van het meisje niet gezien. Ik meen mij te
herinneren dat het gezicht van het meisje was bedekt met een
kledingstuk en ik meen dat dit spijkerkleding was."
"Volgens mij lag er iets over haar hoofd, ik weet dit niet zeker en kan u dit voorwerp niet omschrijven"
"Ik zag een paar blote benen op 5 tot 10 meter. Ik zag een meter voor
deze benen een jas liggen, volgens mij was deze groen van kleur. Ik
ging er van uit, gelet op de afstand vanaf de benen, dat deze jas over
het hoofd van de daar aanwezige persoon lag. Aan of bij de voeten heb
ik volgens mij kaplaarzen gezien, ik denk dat ze groen van kleur waren."
V. ziet een paar blote benen en billen en kan niet zien of het een jongen of meisje betreft.
V. D. ziet een ontkleed lichaam, kan niet zien of het een jongen of
meisje betreft, de rug en schouders van het kind zijn bedekt met een
grijs kleurig T-shirt

Als eerste politieman is ter plaatse J. S. (AH blz 818), snel gevolgd door het koppel S. en T.
De GGD is om 18.19 uur ter plaatse, en ambulancebroeder/getuige v. d.
H. gaat met S. de bosjes in. Zijn collega V. ontfermt zich over Maikel.

S. verklaart: "ik zag dat het waarschijnlijk een meisje was. Het
lichaam was ontkleed en over het hoofd lag iets van kleding. Ik zag....de
contouren van een bikini zodat ik aannam dat het een meisje was. Ik zag
dat er een veterlaars op het linkerschouderblad lag. Het was een
soortgelijke laars als ik bij het slachtoffer Maikel had aangetroffen.
De broeder van de GGD onderzocht het slachtoffer. Daarbij bleek dat de
veter van de laars om de nek van het kind zat".
v.d. H. zegt (1163) "ik kon eerst niet zien of het een jongen of een
meisje was. Ik heb een grote rubberen laars van het hoofd gehaald en
links van het hoofd op de grond gelegd. Ik heb het lichaam verder niet
aangeraakt en dus ook niet gekeerd. Toen pas zag ik dat het een meisje
betrof. Ook zag ik dat het meisje gestranguleerd was. Toen ik de schoen
aanraakte voelde ik dat deze ergens aan vast zat. Ik heb verder niet
geprobeerd de schoen los te krijgen."
Het meisje dat hij gezien heeft lag voorover, zo verklaart hij ook nog bij de r.c.
v.d. H. vraagt om een defibrillator die hem door zijn collega V. wordt
gebracht. Tot hun ontzetting is er geen hartritme meer: het meisje is
overleden. Zij schatten dat het meisje ongeveer een half uur dood is.
Deze schatting is volgens de kinderarts-intensivist T., die later nog
bij de rechter-commissaris wordt gehoord, reëel. Naar zijn oordeel zou
20 minuten nog kunnen, 40 minuten acht hij aan de lange kant. Dat
betekent dat het tijdstip van overlijden globaal gelegen moet zijn
tussen 17.50 en 18.00 uur.

Het meisje blijkt te zijn genaamd Nienke K.. Zij was pas 10 jaar.
Toen de politie en GGD ter plaatse kwamen was haar moeder ook al op de
bewuste plek in het park gearriveerd: toen Maikel en Nienke niet op de
afgesproken tijd van 17.30 uur thuis waren is eerst Nienke's broertje
E. gaan zoeken, daarna broer N. en tenslotte moeder en N. samen.
Zij zijn bij de brug door passanten opgevangen, want toen Nienke's
moeder Maikel in zo'n ontredderde staat bij de brug zag zitten maar
Nienke daar niet was, terwijl zij wel van omstanders hoorde dat er nog
een kind in de bosjes lag, begreep zij natuurlijk dat haar Nienke iets
verschrikkelijks moest zijn overkomen. Ook zij heeft nog met 112 gebeld
(18.12.08 en 18.13 uur meldkamer politie, 937 jo. 940), maar politie en
andere hulpdiensten zijn al onderweg.

Maikel wordt naar het Dijkzichtziekenhuis gebracht en vervolgens naar
het Sophia kinderziekenhuis. In de ambulance vertelt hij kort aan S.
wat hem en Nienke is overkomen.

Letsels Maikel en Nienke

De medische verklaring betreffende de bij Maikel geconstateerde verwondingen behelst het volgende:
- kneuzingen van de nekspieren en strottehoofd waarbij een dunne striem in de nek zichtbaar was
- lichte zwelling van de weke delen van de hals passend bij een kneuzing
- kleine snijwond aan de vinger
- vier messteken aan de achterzijde van de nek
- drie messteken aan de voorzijde van de nek
- een messteek rechts op de kin
- zenuwletsel tengevolge van de messteken in de hals met als gevolg
vernauwing van de rechter pupil, een hangend ooglid, een afhangende
rechtermondhoek en verminderd gevoel in de hals
- nog niet te bepalen geestelijk letsel

De heer de W. (de arts die Maikel heeft onderzocht) heeft verklaard
dat, gezien de lengte en diepte van de verwondingen, dat deze door een
stanleymes toegebracht zouden kunnen zijn (blz 928 verslag politie arts
van L. jo. verhoor de W. per rogatoire commissie).

Op het lichaam van Nienke wordt sectie verricht en uit dit sectieverslag blijkt het volgende:
Verstikking als oorzaak van de dood, tengevolge van gebleken inwerking
van uitwendig, mechanisch omsnoerend geweld op de hals (strangulatie).
Tevens worden slijmvliesbeschadigingen van de anus, de schede, het maagdenvlies en de baarmoedermond geconstateerd.

Dat betekent dat er gerede aanwijzingen zijn dat er bij Nienke ook een seksueel delict heeft plaatsgevonden.

Ik kan mij nog de collectieve ontzetting herinneren die de dagen na dit delict heerste.
Na het aantreffen van Maikel en Nienke wordt vanzelfsprekend
onmiddellijk een groot politie onderzoek gestart. Er wordt een RAG team
geformeerd dat veel getuigen hoort, buurtonderzoek doet, de plaats van
het delict en de wijde omgeving ervan minutieus onderzoekt en zoveel
mogelijk sporen tracht te vinden.

Verhoren en verklaringen Maikel

Maikel wordt natuurlijk uitgebreid gehoord, eerst in het ziekenhuis en
op het politiebureau, daarna in een zgn. kindvriendelijke
verhoorstudio, waarbij ook de deskundige B. bijstand verleent. Bedacht
moet immers worden, dat Maikel pas net 11 jaar is en ook zelf iets
vreselijks heeft meegemaakt.
Deze deskundige is in eerste aanleg door de rechter-commissaris gehoord.
Op verzoek van het Openbaar Ministerie worden de verklaringen van
Maikel op betrouwbaarheid geanalyseerd door weer een andere deskundige,
mw. H., die recentelijk ook nog door de rechter-commissaris is gehoord.
De conclusie van beide deskundigen is, dat het verhaal van Maikel op
grote lijnen consistent en betrouwbaar is, maar dat, als het om
onderdelen en details gaat, hij dingen verklaart die logisch gezien
moeilijk voorstelbaar zijn of waarbij onwaarschijnlijk geacht moet
worden dat het zo is gegaan zoals Maikel heeft verteld.

Het verhaal van Maikel over wat hem en Nienke op de bewuste middag is
overkomen, is naar mijn oordeel als volgt samen te vatten, waarbij ik
op onderdelen ook put uit de verklaring van Nienke's moeder.
Maikel ging op 22 juni met Nienke mee uit school. Die avond zou hij bij
haar eten en daarna zouden ze samen naar de knutselclub gaan. Het eten
is altijd om 17.30 uur.
Na nog iets gedronken te hebben gingen ze op de fiets naar het
Beatrixpark dat op een steenworp afstand van Nienke's huis ligt. Ze
wilden zonder jas, maar omdat het die dag geregend had en het nog wat
bewolkt was gaf Nienke's moeder nog gauw hun spijkerjackies mee. Ze
hebben beide een groen/grijzige lange broek aan, Nienke een beige
achtig T shirt en hij een donker T shirt met daarop een draak, dat hij
ooit uit Bretagne had meegenomen (1248). Nienke heeft haar groene
rubberen kaplaarzen aan en hij zijn zwarte hoge schoenen met lange
veters, die hij zelf zijn "kisten" noemt.

In het park aangekomen stallen ze hun fietsen aan de achteringang van
de kinderboerderij, en ze maken ze met één slot aan elkaar vast. Ze
kijken bij de jonge biggetjes, spelen met een geitje en vermaken zich
een tijd bij de waterspeelplaats (Fort Drakenstein) die in de buurt van
de kinderboerderij ligt.
Vanaf het fort lopen ze terug naar hun fietsen maar ze kunnen niet via
de kinderboerderij lopen want het hek zit al op slot (1182)
Ze vragen de tijd aan een man die bij de varkenshokken aan het werk is
(1182, 1215) en die man zegt dat het kwart over vijf is. Deze man is
rond de 65,heeft wit haar en rimpels en is volgens Maikel "al met zijn
pensioen bezig".
Ze lopen om omdat ze naar hun fietsen willen gaan, maar als ze daar
bijna aangekomen zijn komt van achteren een man op hen af die hen in
hun nek grijpt en op ruwe, onbeschaafde toon zegt: "even meekomen
jullie" (1170). De man heeft een mes in de hand.
Bij de brug aangekomen die ik verder als brug A zal aanduiden moeten ze
van hem een stukje rennen en daarna voert hij hen de bosjes in.
Daar moeten ze zich uitkleden, de man zegt dat hij hen zal vermoorden als ze niet zouden doen wat hij ze opdraagt.
Terwijl ze zich moeten uitkleden ziet Maikel een zwart/witte hond
(1172, 1225), met vlekken zoals een koe die heeft, die kennelijk
uitgelaten wordt. Degene die de hond uitlaat heeft bruine schoenen met
donkere zolen aan (1225, 1274).
De man pakte zijn, Maikels, hand en dwong hem, zoals Maikel het
omschrijft, bij/in Nienke's plasser te voelen, waarbij de man zei:
"lekker hè", en vervolgens dwong de man Nienke om met haar hand Maikels
plasser aan te raken (1196, 1228, 1229,1230).
Daarna legde de man Nienke bovenop hem, en drukte haar met zijn elleboog op Maikel (1230, 1291).
Daarna duwde hij Nienke van Maikel af en probeerde Maikel te wurgen
waarbij Maikel zich los wist te wurmen en om te draaien, zodat hij op
zijn buik kwam te liggen (1199 e.v.). Daarna stak de man hem een paar
keer met een mes in zijn nek (1200, 1231).
Maikel bleef daarna doodstil liggen maar kon nog net de onderkant van een plantje zien (1201, 1204).
Hij heeft Nienke niet meer gezien maar ze probeerde nog wel te gillen
want hij hoort een gesmoord geluidje en geluid alsof ze tegenstribbelt,
en hoort de man ook zeggen "gaan we bijten" en daarna "ga maar slapen,
je vriendje slaapt al" (1201/1202,1234).
Toen de man met Nienke bezig was stompte hij hem drie keer in zijn
maag, en ging toen weer verder met Nienke (1168, 1204, 1234, 1235).
(Ik merk hierbij op dat die opmerking van Maikel over stompen in de
maag niet helemaal logisch lijkt, want Maikel lag toen op zijn buik)

Daarna tilde de man Maikels hoofd naar achteren, dat deed erge pijn en
bond vervolgens een schoen om zijn nek met de veters zo strak dat hij
bijna stikte (1235, 1237). De man liep weg, Maikel wachtte nog even en
liep naar de brug waar iemand stond (1202). Die man heeft geroepen "kom
effe helpen" maar even later knoopte hij met nog iemand die veter los.
"Die andere man die was er heel snel bij, binnen 4 seconden of zo. En
die heeft ook 112 gebeld." (1206, 1238). Tot zover het relaas van
Maikel, deels ook in zijn eigen woorden weergegeven.

Die eerste man was, ik heb het in het begin van mijn requisitoir al
genoemd, de getuige F.. De man die de veter losknoopte was v.d. B. (ik
werk dat hierna nog uit) en de man die als eerste 112 belde was
verdachte B.

Signalement

Vanaf het begin van zijn verhoren gaf Maikel een duidelijk signalement
van de dader. De man had een bruin leren jack aan met daaronder een
shirt, blauwe spijkerbroek, had lichtbruin, vol haar met een beetje
stekeltjes, was heel bleek met af en toe een rode plek, was een jaar of
20 tot 25 en had heel veel puisten. Het mes was geen zakmes, maar een
soort houten, ouderwets scheermes, dat hij uitklikte als een zakmes.
Hij had ook een blauwe pet op, een soort baseballcap. De man was
ongeveer 1.80 lang, niet echt dun en niet echt dik en volgens Maikel
had hij een oorbel (1170, 1173, 1176, 1187, 1188, 1190, 1244)
Opvallend is dat Maikel, vooral wanneer hij in het begin het
signalement geeft en het mes beschrijft, maar ook daarna nog wel, bij
heel veel dingen zegt: "net als pa".
Daarover zegt de deskundige mw. H. dat het niet verwonderlijk is dat
iemand die begint te ontregelen (bedacht moet worden dat het eerste
verhoor in het ziekenhuis plaatsvond, de ochtend na de ontdekking van
deze gruwelijke feiten) steun zoekt bij iemand die hem vertrouwd is en
die bij hem in de buurt is. Dat was inderdaad Maikels vader, die bij
dat eerste verhoor naast zijn bed zat.
Bij volgende verhoren zie je dat Maikels herinneringen anders worden
(bijvoorbeeld t.a.v. de inhammen in het haar, die hij logisch
geredeneerd niet gezien kán hebben als de dader een pet droeg, of de
puisten die allerlei gradaties doormaken, 1253 en 1249,wanneer hij een
boek met plaatsjes van acné in allerlei stadia krijgt te zien ) en
hoewel hij eerst zegt dat hij de man zó zal herkennen, blijkt hij
gaandeweg, en zeker bij de r.c. die hem ook nog hoort, heel wat minder
zeker van zijn zaak. Hij kan zich dan bijvoorbeeld de oorbel of pet
niet meer goed herinneren.

Is Maikel dan zo'n slechte getuige? Zeker niet, maar Maikel is een 11
jarig jongetje dat iets verschrikkelijks heeft meegemaakt en, terwijl
die gruwelijkheden hem overkwamen, druk doende was te overleven.
Voor hem was het signalement dus heel wat minder belangrijk dan voor de
verbalisanten, die in dat signalement natuurlijk aanknopingspunten voor
hun onderzoek meenden te vinden.
Om de woorden van deskundige B. te herhalen: voor Maikel was dat
signalement perifeer. Of om mevrouw H. te citeren: door zgn.
tunnelvision zag Maikel nog maar één ding, namelijk de onderkant van
dat plantje, hoe vreemd dat iemand ook in de oren mag klinken, maar in
feite beschrijft Maikel hier precies waar het bij dat psychologische
fenomeen om gaat: een vrouw die twee uur wordt verkracht kan, tot
verbazing om niet te zeggen argwaan van de haar horende politieagent
niet het gezicht van haar verkrachter beschrijven, maar wel feilloos de
deurknop of de kleur van het behang.

Checken verklaringen Maikel, tijdslijn

De politie doet wat zij kan om het verhaal van Maikel te checken en in
een tijdslijn te zetten, maar dat blijkt niet makkelijk. Ook
confronteert zij, op soms wel heel indringende wijze, Maikel met een
aantal zaken uit zijn verklaring die wel erg ongerijmd lijken, zoals
dat plantje waar hij op focust, of het feit dat hij zich, terwijl een
volwassen vent bezig is hem te wurgen, tóch weet los te rukken, of dat
hij niet om hulp heeft geroepen toen de voorbijganger met het hondje
langs kwam, of dat hij het niet heeft uitgegild van de pijn toen hij
met het mes werd gesneden of toen hij werd gestompt, hoe de man niet
alleen hen in de nek kon vasthouden en ook een mes kon vasthouden, hoe
Maikel dat mes kon zien terwijl hij gestoken werd en met zijn gezicht
naar de grond lag, of dat hij niet keek toen de man met Nienke bezig
was, met dat alles Maikel overigens een steeds groter schuldgevoel
aanpratend en geen rekening houdend met wat inmiddels bekend was
geworden over de zgn. Totstellreflex waarin Maikel verkeerde (1231,
1235, 1254, 1273, 1275, 1297).

De man van de kinderboerderij aan wie hij en Nienke de tijd zouden
hebben gevraagd is niet gevonden. Eigenlijk kan het alleen maar de
getuige van M. zijn geweest, omdat hij de enige is die aan het
signalement voldoet, maar hij kan het zich met geen mogelijkheid
herinneren, ook al omdat hij 17.15 uur meestal al weg is en het
schoonmaken van de varkenshokken een klusje is dat hij 's ochtends
doet. Die varkenshokken zijn bovendien niet vanaf het pad van de
kinderboerderij te zien (rc en AH 989, eveneens getuige V. AH 990).

De man die de hond liep uit te laten is overigens wél achterhaald, dat
was de getuige J. die ook nog ter zitting in eerste aanleg is gehoord.
Niet alleen herkent hij in de door Maikel gegeven beschrijving zijn
hond die hij toen daar aan het uitlaten was, hij herkent ook zijn
schoenen in de door Maikel gegeven beschrijving. Hij is, met de getuige
W., op 22 juni 2000 omstreeks 17.40/17.45 uur bij het bewuste bosje
geweest (pv zitting eerste aanleg en RC, alsmede 1470, 1474 en 1478).
Zij kunnen het zich ook daarom nog zo goed herinneren omdat zij op dat
moment bij het bosje waarin zich de verschrikkelijke gebeurtenissen
hadden afgespeeld, een opvallende fiets hadden zien liggen waarover zij
nog een geintje hadden gemaakt (idem). De fiets viel hen met name op
omdat het zo'n simpel model was terwijl hij wel voorzien was van een
vrij duur slot, dat normaal eigenlijk voor scooters wordt gebruikt. Dat
slot was om de zadelpin gewikkeld.
Deze fiets is overigens ook door de getuige W. gezien (1464), die ook
de getuigen J. en W. heeft gezien. Dat de getuige van W. die omstreeks
dezelfde tijd die plaats passeerde de fiets niet heeft gezien is niet
verwonderlijk, hij keek namelijk precies de andere kant op (1454).

Maikel heeft verklaard dat hij ook Nienke's moeder nog heeft horen
roepen, en ook Nienke's broer N. , en uit hun verklaringen weten we dat
zij samen vlak na 18.00 uur die plaats zijn gepasseerd, op zoek naar
Nienke en Maikel (1207 en 1683). Heel kort daarna kwam Maikel uit de
bosjes, want we weten dat getuige S. het verband heeft gelegd tussen
dat jongetje en de fietsende mw. K. en N. , en hen heeft weten in te
halen, waardoor mw. K. en N. na enkele minuten weer bij Maikel op brug
B waren (1757). N. is ook alleen nog naar hen op zoek geweest.

Maar verder is uit het verhaal van Maikel qua tijdslijn niet veel te
destilleren, en soms is uit zijn verhaal af te leiden dat hij het óf
niet meer weet óf er maar een slag naar slaat. Maar dat betekent nog
steeds niet dat hij een slechte getuige is of een slecht jongetje: ik
haal weer deskundige B. aan die aangeeft dat ook deze zaken voor Maikel
perifeer waren. In de verhoren zie je ook duidelijk dat hij af en toe
verbaal of non verbaal (geeuwen) de kont tegen de krib gooit als - in
zijn opvatting en bewoordingen- de politie weer eens begint te "zeiken"
over iets dat voor hem kennelijk marginaal is maar voor de politie van
groot belang.

Maar er zijn tijdstippen die in deze zaak wél met een behoorlijke
nauwkeurigheid kunnen worden bepaald. Ik noem de momenten waarop de
broertje van Nienke: E. , N. en mw.K. op zoek gaan naar Nienke en
Maikel, het tijdstip waarop de getuigen J. en W. de fiets hebben
gezien, het tijdstip waarop het eerste telefoongesprek naar 112 werd
gevoerd. Ook is bekend, omdat al die routes zijn nagefietst dan wel
nagelopen, hoe lang bijvoorbeeld E. en N. met hun zoekrondje onderweg
waren, en hoe zij gereden hebben (993, 1720 e.v. )

B. van getuige tot verdachte

Dat eerste telefoongesprek met 112 werd, ik heb het al eerder gezegd,
gepleegd door B. die vanaf de zuidzijde van wat ik als brug B zal
aanduiden kwam aanrijden op zijn fiets, en die door de getuige F. werd
aangeroepen om hulp te bieden toen Maikel uit de bosjes was gekomen.

B. was in het begin van het onderzoek getuige, en natuurlijk een hele
belangrijke omdat hij als tweede ter plaatse was. Gaandeweg kwam hij
echter als verdachte in beeld.
Dat kwam niet alleen omdat hij in zijn verklaringen de indruk wekte te draaien, maar ook door een stom toeval.
Een brigadier van de Vlaardingse politie, v.d. L., wist dat zijn zoon
M. geruime tijd geleden, namelijk in mei 1999, ontuchtig was benaderd
door een man die hem het voorstel deed dat de jongen hem voor f. 50,-
zou aftrekken.
Op 12 juli 2000 kwam M. thuis en zei tegen zijn vader dat hij de man op
de Albertine Agneslaan in Vlaardingen had gezien, waarop de vader
daarheen ging, de man aansprak, zich als politieman legitimeerde en met
hem een afspraak maakte om een paar dagen later - 14 juli 2000- op het
bureau verder over deze zaak te praten. Deze man bleek B. te zijn.

Het onderzoeksteam in de zaak Maikel/Nienke kreeg wetenschap van deze
afspraak en nam ook deze zaak over, B. was immers voor het team een
belangrijke getuige en men wilde alles graag in één hand houden. De
afspraak met van der L. werd afgezegd en er werd een nieuwe afspraak
gemaakt voor 17 juli 2000, maar nu voor een verhoor door het RAG team.
B. kwam per fiets naar het bureau en een alerte verbalisant zag de
fiets en vond dat deze wel héél erg leek op de fiets waarover door o.a.
J. en W. was verklaard.
Die fiets van B. is later ook met grote stelligheid door J. herkend als
de fiets die hij bij de bosjes had zien liggen en waarover hij met W.
nog een opmerking had gemaakt. W. is in zijn herkenning iets minder
stellig.

In het verhoor, dat eerst nog een getuigenverhoor was, begon B.
onomwonden te verklaren over zijn seksuele problemen en voorkeur voor
jonge kinderen. Hij heeft toen meteen de cautie gekregen. Bovendien
leek hij er, gevraagd naar zijn fiets, nogal om heen te draaien, en
wisselden zijn verklaringen over hóe laat hij van zijn werk was
vertrokken en wát hij in het park had gedaan, steeds meer.
De politie had voorts de indruk door het verhoor van getuigen die zeer
kort na de ontdekking van Nienke en Maikel op de brug waren geweest,
dat B. zich nogal afzijdig had gehouden: bijna niemand kon zich hem
herinneren of wist hem te herkennen. Ik noem in dit verband de getuigen
M. (1519 e.v.), K. (1539), V. (1562) en G. 1620) Had hij soms reden
zich zo afzijdig te houden?

Dit alles was voor de politie aanleiding hem als verdachte van de
feiten jegens Maikel en Nienke aan te merken en hem te observeren bij
het vertrek van zijn werk.

Tijdslijn

Het bleek dat B. toch regelmatig éérder van zijn werk vertrok dan hij
zelf had opgegeven, en dus ook de bewuste avond al eerder in het park
kon zijn geweest dan door hem was verklaard. In die verklaringen
fluctueerde het tijdstip van vertrek nogal; het werd steeds wat later.

Zijn vertrek, bleek uit de observaties, hing veelal samen met het vertrek van de auto van van Gend en Loos.

Uit tachograafonderzoek is gebleken dat de laatste van Gend en Loos
auto op 22 juni om 17.22 uur was vertrokken. Ook dat tijdstip is een
bijna volledig vaststaand tijdstip. Gelet op het gebruikelijke patroon
kon B. dan een minuut of vijf ná het vertrek van de laatste vrachtwagen
vertrekken.
Ik wijs u in dit verband op AH 68 blzz 1013 e.v. waarin het onderzoek
van de tachograafschijven is gerelateerd van de van Gend en Loos
vrachtwagens die op 22 juni 2000 bij S. zijn geweest.
De vrachtwagen met kenteken xxxx is voor zijn laatste rit op 22 juni
2000 om 17.22uur vertrokken en is daarna doorgereden naar "van Gend en
Loos" op de Westzeedijk in Rotterdam.
Die wagen vertrok van het bedrijf S. waar verdachte werkte, werd
bestuurd door de chauffeur J.V. en heeft op die dag tussen globaal
17.13 en 17.22 stilgestaan om kennelijk iets te laden en te lossen
(1007 en tachograafschijf blz 1016 jo. uitvergroting 1018 linkerhelft)
De andere vrachtwagen werd bestuurd door V. en vertrok op 22 juni 2000
om 17.18 bij S. na daar vanaf ongeveer 17.08 te hebben stilgestaan en
is ook naar de Westzeedijk gereden (1006, 1013 e.v. jo.
tachograafschijven 1017 en 1018 rechterhelft).

De beide chauffeurs zijn gehoord (1792 en 1794 e.v.). Uit de verklaring
van V. valt af te leiden dat hij en zijn collega altijd bijna
gelijktijdig wegreden, hij controleert de tijd van de schijf regelmatig
met de werkelijke tijd en de afwijking is hooguit één minuut. V.
controleert de tijd niet regelmatig, alleen bij wisseling van zomer- en
wintertijd. Geconfronteerd met het verschil tussen "zijn" tijd en die
van zijn collega (verschil van 4 minuten ) zegt hij: het is lastig de
schijf precies op de juiste tijd te zetten omdat de schijf lastig rond
te draaien is en daardoor wel een stukje vooruit kan springen. De
vrachtwagen van V. (vertrektijd 17.22uur) kan derhalve zelfs nog iets
vóórlopen.
Samengevat: een tachograaf geeft aan met welke snelheid op een bepaalde
tijd met een auto wordt gereden, en ook wanneer die auto stilstaat.

Ter zitting van 13 februari j.l. zijn omtrent de werkzaamheden bij S.
gehoord de getuigen v. L. en v.d. R.. Uit de verklaring van v.d. L.
blijkt dat het mogelijk was dat men, ondanks het feit dat de werktijd
tot half zes duurde, tóch soms vóór die tijd vertrok als van Gend en
Loos kort voor half zes weg was en de werkzaamheden klaar waren. Hij
heeft het dan over een marge van 4 minuten.
Met die laatste klusjes waren meestal niet meer dan 5 minuten gemoeid,
het ging eigenlijk alleen nog maar om het afwassen van de kopjes, een
klusje dat hij meestal opknapte.

Dat wordt bevestigd door v.d. R., al zegt deze bij de politie nog
(1790) dat de werkzaamheden direct na het vertrek van de wagens klaar
zijn en B. en hij gelijk daarna weg gaan. Ook van L. merkt nog op "B.
is zeker geen plakker" (1788).

B. heeft achtereenvolgens verklaard dat hij op 22 juni omstreeks 17.35
van zijn werk vertrok (123), omstreeks 17.40 (131), 17.45 tot 17.50
(147) en op blz 155 dat hij op 22 juni ná het vertrek van de
vrachtwagen heeft afgewassen en ongeveer 5 minuten later weg was.
Gezien de verklaringen v. L. en v.d R. kan sterk betwijfeld worden óf
B. wel heeft afgewassen.

Ter zitting van het hof d.d. 18 februari is nog gehoord mevrouw S..
Enerzijds lijkt zij sterk vast te houden aan een eindtijd van ½ 6,
anderzijds is uit haar verklaring af te leiden dat er wel degelijk een
marge is van enkele minuten eerder of later, en ook dat er ná het
vertrek van de van Gend en Loos wagens geen werkzaamheden meer waren te
verrichten. Omdat het tijdstip van vertrek van de laatste vrachtwagen
bijna onomstotelijk vast staat - en dát tijdstip is van belang, niet
hoeveel tijd mogelijk met het laden en lossen is gemoeid- is B. die dag
op zijn laatst om 17.27 uur (nl. 17.22 uur plus 5 minuten) van zijn
werk vertrokken, maar waarschijnlijk al iets eerder gelet op het feit
dat de tijden van de beide tachografen niet geheel met elkaar
overeenstemmen en de tijdsaanduiding van de vrachtwagen die om 17.22
uur is vertrokken iets voorloopt.
Ik waag mij niet aan de veronderstelling dat B. al tijdens het laden en
lossen is vertrokken of zelfs daarvoor, omdat ik daarvoor geen
aanknopingspunten heb gevonden in de afgelegde verklaringen van v. L.,
v.d. R. en mw. S..

Kanttekeningen bij verklaringen Maikel

De raadsman zal dan zeggen: maar als dát zo is kán mijn cliënt de dader
niet zijn, immers Maikel heeft steeds verklaard dat hij en Nienke om
17.15 door de dader werden gepakt en toen was mijn cliënt nog op het
werk.

Bij dat door Maikel genoemde tijdstip zet ik veel vraagtekens, zonder
dat dit de rest van zijn verklaring onderuit haalt. Er is gebleken dat
het voor Maikel heel moeilijk is tijdschattingen aan te geven. Zo
blijkt bijvoorbeeld dat hij niet goed kan vertellen hoe lang ze bij de
kinderboerderij hebben gespeeld (1213) en lijkt het ook niet echt
waarschijnlijk dat de dader wel 15 minuten zou zijn bezig geweest met
het uitrekken van Maikels kisten.

Maikel heeft verklaard dat ze op een gegeven moment de tijd hebben
gevraagd. Hij geeft echter verschillende tijden aan en in zoverre kan
aan de door hem gegeven tijdsaanduiding niet veel waarde worden
gehecht. De man aan wie de tijd zou zijn gevraagd is nooit gevonden en
de plaats die hij aangeeft waar hij de man gesproken heeft lijkt niet
te kunnen kloppen, en het lijkt mij dan ook onwaarschijnlijk dat ze de
tijd hebben gevraagd. Uit het feit dat het hek van de kinderboerderij
al dicht was, er geen personeel meer aanwezig was en ze om moesten
lopen valt ook af te leiden dat het na 17.15 geweest moest zijn (blz 5
verklaring Maikel RC en 1182).

Veel waarschijnlijker is dat ze tot de ontdekking zijn gekomen dat ze
de tijd vergeten waren en zich in de bosjes (of elders) verstopt hebben
omdat ze wel snapten dat iemand van de familie K. ze zou komen zoeken,
en daar op enig moment weer zijn uitgekomen om naar de fietsen te lopen
waarna ze door de dader in díe richting lopend zijn gepakt en terug de
bosjes in zijn geduwd. Maikel heeft immers ook verklaard dat hij op
enig moment E. heeft horen roepen (1116/1117, dat had hij nog niet
eerder verklaard maar kwam boven water bij het nalopen van verbalisant
met Maikel in het park), en dat spoort met het feit dat E. er als
eerste op uit is gestuurd om ze te zoeken. E. is pas ná 17.30
vertrokken om zijn zusje en Maikel te zoeken.
Bij diezelfde gelegenheid heeft Maikel ook verklaard dat hij dacht dat
het N. was die hen wilde laten schrikken toen ze naar hun fietsen
liepen.
Maar er was op zich geen enkele reden waarom Maikel zou kunnen menen
dat N. in het park zou zijn, die zou immers thuis moeten zijn omdat het
etenstijd was. De enige logische reden waarom N. wél op dat moment in
het park zou kunnen zijn was om hem en Nienke te zoeken, nadat E. hen
niet had gevonden. Ook dit had Maikel nog niet eerder aan de
verbalisanten verteld, en ook nog niet aan deskundige B.. Bovendien
wordt dan de opmerking verklaarbaar dat ze de man die hen in hun nekvel
greep nog niet eerder hadden gezien, terwijl hij hen toch, ook in de
verklaring van B., tegemoet moet zijn gekomen, hetgeen minst genomen
eigenaardig is want dan hadden ze hem moeten en kunnen zien.

Deze lezing spoort ook met hetgeen B. daar zélf over verklaard heeft:
"Ik ben de kinderen eigenlijk in de buurt van de achterzijde van de
ingang van de kinderboerderij en de heemtuin en bij brug A
tegengekomen. Ik kan u zeggen dat ik vanaf de zijde van brug B in de
richting van brug A reed. Hierop ben ik van mijn fiets afgestapt en heb
deze in het gras gelegd. Ik heb de kinderen vervolgens van achteren
benaderd."(179)
En B. kwam in mijn stellige overtuiging op dat moment ook van de
noordelijke kant van brug B, omdat hij toen terugkwam van zijn
vergeefse achtervolging van E. , zoals ik u straks nog zal
uiteenzetten. Dat blijkt ook uit zijn verklaring op blz. 177, omdat
daaruit is af te leiden dat hij van de kant van brug C kwam. Later,
namelijk bij het aantreffen van Maikel, kwam hij van de zuidelijke kant
van brug B. Immers, zijn fiets lag aan die kant en de rijrichting
blijkt uit de verklaring van F.. Bovendien heeft hij zelf verklaard dat
hij toen weer op weg was naar zijn moeder ( verklaring 10 september
2000). Weliswaar heeft verdachte op blz 150 verklaard dat hij toen
vanaf de noordelijke kant kwam, maar dat is in strijd met wat uit het
onderzoek is gebleken.

Tot slot: volgens Maikel zijn ze door de man, nadat ze in de bosjes
waren aangekomen en zich hadden uitgekleed, verder geduwd toen de man
met de hond er aan kwam (1172 en 1222). Die man was J. en die was
omstreeks 17.40/17.45 ter plaatse. J. zag ook die fiets.
Ook die omstandigheid maakt dus waarschijnlijk dat Nienke en Maikel
veel later in de bosjes zijn aangekomen dan dat tijdstip van 17.15 uur.
Dat tijdstip is ook al niet goed voorstelbaar omdat de dader dan maar
liefst 53 minuten met hen bezig zou zijn geweest, onwaarschijnlijk lang
gelet op de kans op ontdekking in een op dat tijdstip druk bezocht park.

Overigens: ook bij de verklaring van Maikel dat hij een mes heeft
gezien en de beschrijving die hij daarvan geeft zet ik vraagtekens. Ook
dat onderbouw ik met argumenten.
Enerzijds zijn die gelegen in het feit dat het, zoals ook blijkt uit de
studioverhoren ( bijv.1319, 1329/1330 ) en RC verhoor blz. 8, bijna
onmogelijk is dat Maikel dat mes heeft kunnen zien (en dat heeft niets
met de weersomstandigheden die dag te maken maar alles met de manier
waarop zij door de dader werden vastgehouden op het moment dat zij
richting bosjes werden gevoerd en met het feit dat hij met zijn gezicht
op de grond lag cq in een Totstellreflex verkeerde toen hij door de
dader gestoken werd), anderzijds met het feit dat er, al was het alleen
maar omdat hij vóelde dat hij gestoken werd, hij bloedde en er
steekwonden zijn aangetroffen, natuurlijk ook in Maikels visie wel een
mes geweest móet zijn.
Zo zegt hij ook vogels gezien te hebben, terwijl hij ze waarschijnlijk
níet gezien heeft, maar wat hij met verbluffende logica aannemelijk
maakt "omdat er nu eenmaal altijd vogels in de lucht zijn" (1221)

Toen Maikel in het eerste verhoor over het mes verklaarde had hij het
over "zo'n mes als pa" (1173/1174). En dan lees ik weer de verklaring
van de deskundige mevrouw H., waarin zij aangeeft dat Maikel op dát
moment bezig was te ontregelen door de crisissituatie waarin hij zich
bevond, en dus zijn vader als referentiekader gebruikt. Ik citeer nog
uit die verklaring: "ik zeg niet dat hij de waarheid spreekt, maar mijn
inschatting is dat hij een verhaal vertelt dat betrouwbaar is.Dat heeft
betrekking op de grote lijn, want op details komen tegen-strijdigheden
voor in zijn verhaal. Dat kan ook beïnvloed zijn door de
geheugenfunctie."

Ik keer na deze opmerkingen terug naar het punt waar ik gebleven was:
het moment van vertrek van B. bij zijn werk. Zoals gezegd is dat
uiterlijk 5 minuten ná 17.22 uur geweest.
De naar zijn zeggen door B. gevolgde fietsroute is in verschillende
tempi nagefietst, waarbij in de snelste variant B. al na een minuut of
11 en in een normaal tempo na 13 minuten (1087) in het park kon zijn,
en in de langzaamste, maar dat was dan een echt slakkentempo, na een
kwartier (950 jo. 1140). Dat het- uitgaande van een vertrektijd van
17.35 zoals hij zelf heeft aangegeven- tot 18.00 uur geduurd zou hebben
tot hij bij brug B kwam, is dan ook volkomen onaannemelijk (123). Er is
overigens nog een kortere fietsroute die 9,5 à 10 minuten duurt, zo
blijkt uit AH 84.

B. wordt op 5 september 2000 met toestemming van de officier van justitie buiten heterdaad aangehouden.

Sporenonderzoek

Het komt mij voor dat dit het juiste moment is om aan te geven dat er,
behalve hetgeen ik zojuist heb genoemd, niet veel méér tegen B. was. Er
was met name geen zogenaamd "technisch bewijs". Ondanks uitgebreid en
grootscheeps technisch onderzoek, DNA onderzoek met de meest verfijnde
technieken, die toen nog niet geaccrediteerd waren maar nu wel, is er
niets gevonden waarmee het team vooruit kon. Onderzoek aan de veter
waarmee Nienke was gestranguleerd heeft geen resultaat gehad, ook niet
met de zgn LCN methode.
De veter en schoen om de nek van Maikel waren niet alleen vervuild
omdat deze door getuigen waren verontreinigd (namelijk bij het losmaken
daarvan) maar ook dermate met bloed besmeurd dat van een onderzoek naar
sporen geen resultaat kon worden verwacht. (zie ook nog bericht NFI
d.d. 13 februari j.l. alsmede hetgeen daaromtrent door de
getuigen-deskundigen van het NFI ter zitting van 18 februari j.l. is
opgemerkt)
Bovendien heeft de wijze van vervoer en bewaren van het lichaam van
Nienke tot het moment van de sectie, gevoegd bij het feit dat bij
strangulatie veel vocht vrijkomt, en ook de weersomstandigheden op 22
juni ongunstig waren, er toe geleid dat slechts weinig bruikbare sporen
zijn aangetroffen.

Wat nog wel is gevonden is een speekselspoor op de borst van Nienke,
waarin het DNA van Nienke én Maikel voorkomt. Dat is een belangrijk
spoor, want het bevestigt het verhaal van Maikel dat Nienke op een
gegeven moment boven op hem is gelegd (1199 en 1230 jo.rapportage NFI).

Er is nog één uitzondering: een haar die op het bovenbeen van Nienke is
gevonden en die mogelijk past in het haarpalet van B.. Het gaat hier
echter om een haar waaruit geen DNA profiel kon worden gehaald, en
omdat "mogelijk" de zwakste conclusie is die het NFI kan geven en
bovendien zo'n haarpalet overeenkomst niet heel veel zegt, kan ik er
weinig mee.

Iedereen van wie het team wist dat hij of zij in de buurt van de plaats
is geweest waar Nienke en Maikel zijn gevonden, heeft vrijwillig DNA
afgestaan. Ook de familieleden van de kinderen hebben dat gedaan. De
verdachte heeft eveneens meegewerkt.

Hernieuwd DNA onderzoek heeft niet méér opgeleverd dan al bekend was
bij het onderzoek in eerste aanleg: er is nog steeds een profiel van
een onbekend mannelijk individu, dat is aangetroffen onder het
nagelvuil en op de linkerlaars van Nienke, en dat vermengd was met de
DNA profielen van Nienke en Maikel. Een profielenvergelijking van dit
onbekende profiel met de zich op 17 januari 2002 in de profielenbank
bevindende profielen heeft niets opgeleverd. Ik merk hierbij op dat ik,
hoewel ik daar eigenlijk geen juridische basis voor had, nog extra
aandacht van het NFI heb gevraagd voor het profiel van de man die wordt
genoemd in het proces-verbaal van rechercheur v. D., dat op de
regiezitting aan de orde is geweest. Ook dat heeft geen resultaat gehad.

Ik maak hierbij wel de kanttekening dat DNA weliswaar een fantastisch
hulpmiddel is bij de opsporing, maar dat het niet alleen zaligmakend
is. Het enkele feit dat er op enig onderzoeksmateriaal een DNA profiel
wordt aangetroffen zegt niets, want ieder mens laat DNA achter, de een
makkelijker dan de ander maar dat weet je niet van je zelf. Bij het
geven van een hand kan je al DNA "sharen" zoals de officiële term
luidt. Het gaat er om dat je aanwijzingen hebt dat het een daderspoor
betreft. In het algemeen kan worden gesteld, en nu citeer ik uit een
brief van het NFI d.d. 15 februari j.l., dat de kans op het aantreffen
van biologische sporen die iets met het delict te maken hebben, groter
is op het lichaam (of de kleding) van een slachtoffer dan op een
willekeurige openbare gelegenheid. Het heeft dus niet veel zin alles
wat je in een park aantreft op DNA te bemonsteren: je zult zonder meer
een hoop profielen vinden maar het leidt tot niets omdat er geen
aanleiding is te veronderstellen dat het om dadersporen gaat.

Ik vind het jammer dat de raadsman keer op keer aanvoert dat het
onderzoek onvolledig is geweest, want dat doet geen recht aan alle
inspanningen van het NFI voor wie dit het grootste DNA onderzoek uit de
geschiedenis van het NFI is geweest, waarbij vele sporen zijn
onderzocht en waarbij ook het NFI zich telkenmale heeft afgevraagd wat
zij nog meer of anders konden doen. Maar ook het NFI liep er tegen aan
dat, door omstandigheden als boven aangegeven, er weinig bruikbaar
materiaal was te vinden.

Voor wat betreft het tot nu toe nog onbekende profiel: ik vind het
jammer dat we dat raadsel nog niet hebben kunnen oplossen maar tot nu
toe heb ik nog steeds geen indicatie dat het hier tevens een daderspoor
betreft. Ik weet mij daarin gesteund door hetgeen de deskundige K. van
het NFI ter zitting van 18 februari j.l. heeft opgemerkt. Daarom vind
ik dat onderdeel voor de bewijsvoering niet relevant en word ik er ook
niet onrustig van.

Nogmaals: signalement

Ik heb al opgemerkt dat Maikel een duidelijk signalement van de dader
heeft gegeven, maar ook dat bij dat signalement vraagtekens kunnen
worden geplaatst zoals door de deskundigen H. en B. is uiteengezet.
Verdachte lijkt niet echt op het verstrekte signalement, al heeft hij
wel een bleek gelaat met af en toe rode vlekken (662). Gelet op de bij
het signalement te plaatsen vraagtekens vind ik het ontbreken van
gelijkenis dan ook minder relevant. Ook het feit dat, zoals ook in
eerste aanleg aan de orde is geweest, Maikel B. niet heeft herkend toen
hij hem op brug B zag, zegt mij niet veel.
Maikel heeft inderdaad B. zien bellen maar is niet, zoals sommigen
wellicht zouden verwachten, gaan gillen "dat is de man die mij heeft
gepakt" of dergelijke woorden.
Uit allerlei verklaringen weten we dat Maikel toen hij uit de bosjes kwam volkomen van de wereld was:
- hij keek alsof hij net uit narcose kwam (F., 1505)
- hij leek niet bij de les te zijn, zo ver keek hij voor zich uit (V., 1556)
- hij antwoordde niet en keek alsmaar voor zich uit, het leek of hij van de wereld was (V., 1643)
- hij gaf de indruk dat alles aan hem voorbij vloog (v. D.,1661)
- ik zat daar maar zonder gedachten, ik zat gewoon in het niets te staren (Maikel, 1241)

De getuige deskundige mw. H. heeft verklaard dat naar haar mening
Maikel op dat moment in een horizontaal dissociatieve toestand
verkeerde (r.c. verhoor laatste alinea).
Bovendien moet bedacht worden dat Maikel, B. maar heel even heeft
kunnen zien. Bijna onmiddellijk begon v.d. B. de veter om zijn nek los
te maken, waarbij getuige F. vóór Maikel stond, die weer met zijn rug
naar v.d. B. stond (v.d. B 1585) terwijl ook getuige K. vlak voor
Maikel stond (1536).
Meteen daarna is Maikel met zijn rug naar het pad en zijn gezicht naar het water gaan zitten (M. 1520, V. 1557, V. 1643).

Verklaringen B. en de witte plekken daarin

Wát heeft B. in het park gedaan vanaf het moment dat hij in het park aankwam tot het moment dat hij om 18.07 met 112 belt?

Ik ga er zonder meer van uit dat híj het is geweest die E.K. heeft
achtervolgd omdat hij, zoals hij zelf bij herhaling heeft verklaard,
toen hij in het park aankwam, op zoek was naar kleine kinderen die hem
voor geld konden aftrekken of pijpen. Hij deed dat regelmatig als hij
na het werk naar zijn moeder fietste. Hij werd of was dan geil en
benaderde soms ook twee kinderen tegelijk waarbij het hem niet
uitmaakte of het een jongen of een meisje was, als het maar een kind
was dat hem niet kon kwetsen. Op 22 juni had hij het al een half jaar
niet gedaan omdat hij zo bang werd voor ontdekking (128, 144, 148 en
171). Daarom was hij ook op zoek naar de kinderen die bij de fietsjes
hoorden die hij bij de achterzijde van de kinderboerderij had zien
staan (148).

Toen hij E. zag die iets na half zes was vertrokken om Nienke en Maikel
te zoeken was dat dan ook een gouden kans. Hij beschrijft de route die
E. zegt gevolgd te hebben en herkent E. ook min of meer van een foto
(149 en 156 jo. AH 61 blz 993). Uit dat alles volgt natuurlijk ook dat
verdachte de bewuste avond iets na 17.30 al in het park was. Dat E. hem
niet gezien heeft is niet vreemd: E. had er behoorlijk de vaart in en
verdachte reed parallel aan de door E. gevolgde route (150 jo.156/157).
De route die E. volgde was, naar ik de politie heb begrepen, niet
bepaald een logische. Aan het feit dat verdachte die route niettemin
weet te omschrijven valt dus een argument te ontlenen dat hij E. wel
degelijk heeft gezien en gevolgd (zie ook blz 649 e.v. waar de route
nogmaals beschreven wordt, nu ter gelegenheid van het bezoek van
verdachte aan het park onder begeleiding van de politie op 5 oktober
2000).

Verdachte had ook het idee dat de jongen reed alsof hij naar iets op
zoek was. Verdachte is steeds bij die verklaring gebleven (o.a.142,
maar ook ná het intrekken van zijn bekennende verklaring als het gaat
om de feiten jegens Maikel en Nienke, ik memoreer blz. 194, 206, 242,
243, 247 ) en ik hecht er dan ook geen waarde aan dat hij er
uiteindelijk ter zitting van 5 april 2001 op terugkomt.

Nadat hij E. heeft laten gaan- hem achterna fietsend heeft hij
overigens ook zelf zijn tempo versneld (171)- keert hij terug en, gelet
op zijn hiervoor reeds aangehaalde verklaring van bladzij 179, heeft
hij toen, komend vanaf brug B en gaande in de richting van brug A,
nadat hij was afgestapt zijn fiets neergelegd op de plaats waarover
door J., W. en W. is gerelateerd en heeft vervolgens Maikel en Nienke
gepakt en (terug) de bosjes ingevoerd. Gelet op de door die getuigen
genoemde tijdstippen en de tijdslijn zoals door mij uiteengezet klopt
dat allemaal.
Eerder heeft verdachte verklaard dat hij toen, terugfietsend, een fiets
bij de grasrand zag liggen die qua omschrijving wel heel erg op de door
J., W. en W. beschreven fiets en dus ook op zijn eigen fiets lijkt
(148, 151, 159) maar zijn verklaringen te dien aanzien worden hoe
langer hoe eigenaardiger. Zo zou hij zelfs, nadat Maikel uit de bosjes
was gekomen en hij de politie had gebeld, nog zijn gaan kijken of de
fiets daar nog lag, alsof dat op zo'n moment de eerste prioriteit zou
zijn (159).
Zo zou hij ook nog aan de taxichauffeur (F.) gevraagd hebben of hij die
fiets ook gezien had, waarop de taxichauffeur met ja zou hebben
geantwoord (159). F., daarover nog gehoord, kan zich in het geheel niet
herinneren dat iemand hem die vraag heeft gesteld (1512).
Overigens is verdachte pas met het verhaal, dat hij nog naar die fiets
is gaan kijken, gekomen nádat hij was aangehouden, in zijn 8e
verklaring. Tevoren heeft hij er met geen woord over gerept.
Uiteindelijk, zie de al boven aangehaalde verklaring van blz 179, geeft
verdachte toe dat hij zelf daar zijn fiets heeft neergelegd en
vervolgens de kinderen heeft benaderd.
Ik memoreer nogmaals dat de fiets nadien door J. is herkend.

Overigens heeft verdachte op blz 164 en 172 verklaard dat hij zijn
fiets daar heeft neergelegd, de bosjes is ingelopen, daar de kinderen
naakt liggend op hun rug heeft aangetroffen en vervolgens meteen de
bosjes weer is uitgelopen. Deze verklaring is om diverse redenen
onaannemelijk. Niet alleen klopt het niet met de verklaring van J. en
W., die geruime tijd over de door hen aangetroffen fiets hebben staan
praten en dus ook B. zouden moeten hebben gezien als zijn verklaring
juist was. Ook heeft Maikel nimmer verklaard dat, nadat de dader was
weggegaan, hij nogmaals iemand de bosjes heeft horen inkomen en weer
heeft horen vertrekken. Integendeel, Maikel is praktisch meteen nadat
de dader was vertrokken, ook uit de bosjes gegaan en bij brug B door F.
aangetroffen. Tot slot lag Nienke, toen zij werd aangetroffen, op haar
buik en was zelfs niet te zien dat het een meisje betrof en lag ook
Maikel, volgens zijn verklaring, nog steeds op zijn buik, zich dood
houdend toen de dader vertrok. Verdachte kan dus toen ook niet gezien
hebben dat Nienke al beginnende secundaire geslachtskenmerken had (173).

Ik kom nu aan een onderdeel dat voor de ouders van Nienke en Maikel
mogelijk confronterend en schokkend zal zijn. Uit het requisitoir van
collega E. weet ik dat zij dit onderdeel ook in eerste aanleg heeft
aangeroerd in wat voorzichtiger bewoordingen dan ik kies, maar voor de
volledigheid van mijn betoog wil ik het in alle helderheid naar voren
brengen. Op blz. 177 verklaart verdachte vervolgens dat hij de
kinderen, nadat hij de bosjes was ingelopen, met elkaar seks zag
hebben. Ook deze verklaring van verdachte acht ik volkomen
onaannemelijk en des te verdrietiger voor de ouders, omdat zij het
zullen ervaren als een verdachtmaking die geen recht doet aan de
oprechte vriendschap tussen Nienke en Maikel, en als een beschadiging
van de nagedachtenis aan Nienke.
Waarom is die verklaring zo onaannemelijk en anderzijds toch ook zo veelzeggend?
De suggestie dat Nienke en Maikel daar met elkaar seks hadden past niet
bij de vriendschap die Nienke en Maikel hadden, twee makkertjes die
kameraden waren en leuke en spannende dingen deden, maar waarbij van
seksuele gevoelens in het geheel nog geen sprake was.
Onaannemelijk door de oprechte wijze waarop Maikel geschokt, boos en
verdrietig op deze suggestie reageert "omdat hij nog helemaal niet op
die manier naar meisjes kijkt" (zie bijv. 1355/1356), en waarover mw.
H. ook bij de RC heeft verklaard dat deze reactie passend bij Maikel
is, liggend in de lijn van zijn lichamelijke ontwikkeling. Zij ziet
zijn opmerking niet als iets camouflerends.
Voorts omdat mw. H. ook heeft verklaard dat dit soort seksuele
spelletjes niet past bij de latentiefase waarin Maikel en Nienke zich
bevonden. Als dat al gebeurt vindt het veel eerder plaats, namelijk in
de kleutertijd, of veel later, namelijk in de puberteit, maar dan zijn
het geen spelletjes meer.
Maar waarom is de door verdachte gedane suggestie dan toch zo veelzeggend?
Omdat het, zoals ook mw. H. in haar rapport op blzz 7/8 omschrijft,
heel gebruikelijk is dat daders van seksuele delicten op deze wijze als
het ware de schuld en de verantwoordelijkheid bij de kinderen leggen.
Het past dus wel degelijk in het patroon, al is de suggestie onjuist en
waarschijnlijk erg grievend voor slachtoffers en hun ouders of
nabestaanden.

Bekentenis B.

In het verhoor gerelateerd op bladzij 176 wordt dan de eerste
bekentenis, als ik het zo mag uitdrukken, van B. weergegeven, zoals die
door hem is afgelegd in de late avond van 9 en de vroege nacht van 10
september 2000.
Ook ik vind het zeer betreurenswaardig dat dit proces-verbaal pas op 18
september 2000 is opgemaakt, terwijl daar bovendien niet in is
opgenomen dat verdachte toen met een terminal heeft gesmeten. Dat had
beslist anders gemoeten.
Ik sluit mij echter aan bij het oordeel van de rechtbank dat, mede
gelet op de verhoren van de verbalisanten die bij de r.c. nog hebben
plaatsgevonden, geen sprake is van grove onzorgvuldigheid die een goede
procesorde heeft geschaad.

Op bladzijde 179 e.v. wordt dan de verklaring van B. d.d. zondagmiddag
10 september vanaf 15.30 weergegeven, waarin hij zijn bekennende
verklaring nader specificeert.
Hoe dat precies met het door de computer aangeven van de aanvangstijden
is gegaan wordt gerelateerd in de r.c. verhoren van verbalisanten.

Pressie/valse bekentenis?

In het proces-verbaal d.d. 10 september wordt steeds de gestelde vraag
en het daarop gegeven antwoord aangegeven. Uit dat p.v. is naar mijn
oordeel af te leiden dat de verbalisanten zich ervoor gehoed hebben
verdachte suggesties te doen, onbedoeld informatie te geven of gewenste
antwoorden te krijgen. De vragen zijn neutraal en open geformuleerd en
verdachte verklaart vervolgens wat hij gedaan heeft, zonder dat hij in
die antwoorden wordt geleid.
Ook de verklaring van zondagavond 10 september is op dezelfde wijze als
vraag en antwoord geverbaliseerd. De daarna volgende verhoren zijn
steeds op video en geluidsband opgenomen en verbatim uitgewerkt.

Ook uit die verhoren is niet af te leiden dat verdachte in zijn
verklaringen door de politie is gestuurd of dat hem daderinformatie is
meegegeven, ook al zegt verdachte dat dat wel het geval is geweest. Het
voert te ver om alle onderdelen van zijn verklaringen door te nemen,
maar als ik kijk naar bijv. blzz 237/238 en 255/256 van de
verklaringen, voorzover betrekking hebbend op het stranguleren van
Nienke of het gebruik van een mes, dan valt uit de weergave af te
leiden dat weliswaar op tegenstrijdigheden is doorgevraagd maar niet
zodanig dat verdachte in zijn antwoorden is gestuurd of het antwoord
uit de vraag heeft kunnen afleiden.
Dat zou ook in strijd zijn met het doel van een verhoor door de
politie, dat immers niet gericht moet zijn op het verkrijgen van een
bekentenis, maar op het achterhalen van de waarheid.
Als de politie door de wijze van vragen informatie over het delict aan
een verdachte prijs zou geven, zou er sprake zijn van een valse
bekentenis. Daarvan is echter in het geheel niet gebleken, ook al omdat
verdachte blijk heeft gegeven te beschikken over daderkennis. Ik kom
daar straks op terug.

Wel is uit de processen-verbaal af te leiden dat de verhoren lang, soms
zelfs zeer lang hebben geduurd, dat verdachte stevig, soms zelfs zeer
stevig is gehoord, dat tegen hem is geschreeuwd, dat er behoorlijk is
gevloekt, dat hij in niet mis te verstane bewoordingen met
onwaarschijnlijkheden of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen is
gewezen, en dat hij ook intensief met zijn eigen zwakke plekken is
geconfronteerd. Raakt dat het gebruik van zijn bekentenis omdat die,
zoals hij zegt, onder druk is afgelegd? Op de eerste plaats dient te
worden bedacht dat een langdurig en confronterend verhoor, het deels
nachtelijke tijdstip daarvan en het spreken door de politie met
stemverheffing geen schending oplevert van het pressieverbod ( HR 8 mei
2001 NJ 2001, 481 Bacchuszaak) mede gelet op de zeer ernstige feiten
terzake waarvan verdenking bestond.

Verdachte is op 22 januari 2001 bij de RC gehoord maar kan dan
eigenlijk niet goed aangeven of en zo ja welke druk op hem is
uitgeoefend of welk effect dat op hem heeft gehad.
Dit verhoor wordt ter zitting van 5 april 2001 met hem doorgenomen en
dan blijkt hij evenmin in staat aan te geven waaruit de schending van
zijn belangen zou hebben bestaan. Dat wordt door de rechtbank, naar
mijn oordeel terecht, bij de beoordeling betrokken.
Het is niet aannemelijk geworden dat de raadsman in het bewuste
weekeinde contact heeft gezocht met de verdachte. Weliswaar kon hij
niet worden toegelaten tot de politieverhoren, maar hij had zijn cliënt
natuurlijk wel gewoon kunnen bezoeken. Bij alle verhoren die ná de
inbewaringstelling zijn gevolgd is een raadsman aanwezig geweest en
nimmer is door hem bij de teamleiding, de officier of de r.c. geklaagd
dat de verdachte onder druk zou zijn gezet.
Ik memoreer bovendien dat verdachte bij zijn voorgeleiding aan de
officier van justitie den H. zijn bekentenis heeft herhaald, zij het
natuurlijk in summiere bewoordingen omdat een voorgeleiding aan de ovj
zich niet leent voor een uitgebreid verhoor.

Ik memoreer voorts dat verdachte ter zitting van 15 mei 2001 heeft
verklaard dat het tactiek van hem was dat hij tegen de verbalisanten
zei dat hij iets wilde vertellen, maar dat hij dat eerst met zijn
raadsman wilde bespreken. Hij wilde niets vertellen, maar op die manier
dacht hij te bereiken dat de verbalisanten hem even met rust zouden
laten. Uit die verklaring is af te leiden dat verdachte dus niet zó
murw gebeukt was dat hij maar van alles en nog wat verklaarde,
integendeel dat hij goed bij de les was en bezig met het uitzetten van
een strategie. Een voorbeeld daarvan is te vinden op blz. 693 e.v. Dat
het hem allemaal weinig deed is ook af te leiden uit blz. 733 "ja, dat
is dan jammer, ik heb gewoon met mijn advocaat afgesproken dat ik niets
meer zeg", of uit blz. 743 waar hij op de vraag wat er allemaal door
hem heen gaat antwoordt "niks, ik wacht gewoon".

Nogmaals: bekentenis B.

Als verdachte derhalve in zijn verklaring d.d. 10 september 2000
verklaart zoals door de rechtbank in bewijsmiddel 21 is weergegeven,
heb ik gelet op hetgeen ik hiervoor heb betoogd geen reden om aan te
nemen dat díe verklaring (noch een van de andere verklaringen) in
strijd met het pressieverbod is tot stand gekomen. Deze verklaring
houdt het volgende in:
"Ik ben de kinderen in de buurt van de achterzijde van de ingang van de
kinderboerderij tegengekomen. Ik ben van mijn fiets afgestapt. Ik heb
de kinderen van achteren benaderd. Ik ben met de kinderen de bosjes
ingelopen. Ik ben die bosjes ingelopen omdat er bij de andere bosjes
meer paden langs liepen en zo de kans op ontdekking groter werd. Ik had
een afbreekmesje bij mij. Ik heb tegen de kinderen gezegd dat zij zich
moesten uitkleden. Ik heb ook tegen de kinderen gezegd dat wanneer zij
dit niet zouden doen ik ze neer zou steken.
Ik ben op het meisje gaan liggen. Ik schrok heel erg van mezelf. Ik
werd heel erg bang om betrapt te worden. Ik dacht dat ze dood moest. Ik
heb het meisje gewurgd. Ik dacht dat de jongen ook dood moest. Ik heb
het meisje met een schoen vermoord. Ik heb de schoen om de nek van het
meisje gebonden en deze met een strik hard aangetrokken. Ik heb de
jongen ook een schoen om de nek gebonden. Het afbreekmesje dat ik bij
mij had was van mijn werk. Ik kan zeggen dat ik die jongen mogelijk
geslagen heb. Ik heb dit gedaan om te kijken of hij nog leefde. Ik
wilde zo snel mogelijk weg. Ik ben naar mijn fiets gelopen. Ik heb mijn
fiets gepakt. Ik ben weer langs de bosjes gefietst omdat ik naar mijn
moeder wilde. Dit was de juiste weg naar mijn moeder. Hierop ben ik
over brug B gefietst. Ik wilde gewoon alleen maar neuken. Het moest er
toch een keer van komen."

Ik teken hierbij nog het volgende aan:
Een getuige die ik tot nu toe nog niet heb genoemd is getuige S.. Hij
verklaart bij de politie (G 39) dat hij rond 17.40 langs brug B fietste
en toen aan angstige kreet hoorde. Als hij bij de r.c. wordt gehoord
blijkt dat dit tijdstip later gelegen moet hebben, want niet alleen
heeft hij wat langer op zijn werk staan napraten over de beveiliging
dan hij eerst schatte, ook is gelet op de vluchtgegevens van de
helikopter duidelijk dat het tijdstip van 17.40 uur te vroeg is: de
angstkreet heeft hij vermoedelijk rond 17.55 uur gehoord. (N.B.: als S.
daar rond 17.40 gefietst zou hebben zou hij toch door J.,W. of W.
gezien moeten zijn maar die verklaren daar niet over). Maikel heeft
verklaard dat hij Nienke een kreet heeft horen slaken die door de dader
werd gesmoord, dat kan dus heel wel de door S. gehoorde kreet zijn
geweest. Dit moment is gelegen in de vermoedelijke periode van
overlijden van Nienke.

De daderwetenschap van verdachte bestaat er onder meer uit dat hij weet
aan te geven dat Nienke is gewurgd. Dat is een detail dat om
begrijpelijke redenen tot de eerste zittingsdatum niet in de krant is
gepubliceerd. Niettemin blijkt uit de verklaring van verdachte's
vriendin M.W. dat verdachte haar vóór zijn aanhouding al had verteld
"dat hij aan de politie moest verklaren over een meisje dat gewurgd en
vermoord was in het park"(G 88 blz 1899). Ook weet verdachte te
beschrijven dat Nienke beginnende borstjes en schaamhaar had (173). Dat
kan hij niet gezien hebben als hij Nienke liggend in de bosjes heeft
aangetroffen: Nienke lag toen immers op haar buik en de getuigen die
wél in de bosjes zijn gaan kijken konden niet zien of het een meisje of
een jongen was.

Verdachte heeft bovendien aangegeven dat hij iets op het hoofd van
Nienke heeft gelegd (172 en 181). Ook dat klopt met de hierboven
weergegeven verklaringen van de getuigen S., F., V., v.d. B. en v. D.
die iets van kleding op/naast haar hoofd zagen liggen. B. is naar eigen
zeggen niet in de bosjes gaan kijken nadat Maikel te voorschijn was
gekomen, en geen van de getuigen heeft hem dat zien doen. Daar kan hij
zijn wetenschap dus niet aan ontlenen.

Nadat verdachte op zijn bekentenis was teruggekomen omdat deze naar
zijn zeggen onder druk was tot stand gekomen werd hij geconfronteerd
met de gaten in zijn verklaring over wat hij dan wél in dat park heeft
gedaan, waar hij zoals reeds betoogd door niemand is gezien.
Daarover is tot nu toe door hem geen enkele redelijke verklaring
afgelegd en dus blijft hij in de periode volgend op het laten gaan van
E. tot het moment van bellen met 112 "zoek".
Natuurlijk mag verdachte zwijgen, maar als je terwijl je met zo
ernstige beschuldigingen wordt geconfronteerd geen opening van zaken
geeft mag dat ook meewegen.

Het mesje dat door B. naar zijn zeggen is gebruikt, is een zgn.
afbreekmesje en ik heb al gememoreerd dat de arts die Maikel heeft
onderzocht mogelijk acht dat de verwondingen door een stanleymes zijn
toegebracht. Een afbreek- en een stanleymes lijken erg op elkaar, het
verschil zit ´m er in dat een stanleymes doorschuift en een afbreekmes,
de naam zegt het al, afgebroken moet worden waarna er weer een nieuw
scherp stukje is. Door zijn werk kon B. over dit soort mesjes
beschikken.

Conclusie

Ik heb u uitvoerig aangegeven wát zich aan getuigen- en
deskundigenverklaringen in het dossier bevindt, welke omstandigheden
voorts nog van belang zijn en wat de verdachte in zijn bekennende
verklaringen heeft gezegd, alsmede de kanttekeningen die daarbij moeten
worden gemaakt en de waarde die naar mijn oordeel aan al die
verklaringen en omstandigheden kan worden gehecht. Die uitgebreide
uiteenzetting is nodig omdat er, zoals ik ook heb uiteengezet, met
uitzondering van dat ene speekselspoor, geen technisch bewijs is en het
om feiten gaat die niet alleen buitengewoon ernstig zijn, maar ook
bewijstechnisch niet eenvoudig liggen. Het feit dat geen op verdachte
herleidbaar DNA is gevonden alsmede het feit dat er een nog onbekend
mengprofiel is, ontlast hem niet.

Mijn requisitoir mondt uit in de conclusie dat wettig bewezen dat B. de
feiten in het Beatrixpark, waarvan Nienke en Maikel slachtoffer zijn
geworden heeft begaan. Ik zal u nog nader aangeven wát naar mijn
oordeel precies bewezen kan worden verklaard, omdat ik op onderdelen
tot een iets andere bewezenverklaring dan de rechtbank kom.

Bron: Openbaar Ministerie

Link naar orgineel artikel



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: