Slachtoffers van misdrijven moeten de mogelijkheid krijgen om een gesprek te voeren met de dader van het misdrijf. Uit onderzoek blijkt dat dergelijke gesprekken kunnen bijdragen aan de verwerking van het delict door het slachtoffer. Dat schrijft minister Donner van
Justitie vandaag aan de Tweede Kamer. Naar verwachting wordt de maatregel in 2007 van kracht.

De minister verwacht dat de landelijke invoering leidt tot circa 1.500 slachtoffer-dadergesprekken per jaar. Medewerkers van Slachtofferhulp Nederland zullen in de toekomst alle slachtoffers wijzen op de mogelijkheid van een dergelijk gesprek. De gesprekken worden altijd op vrijwillige basis gevoerd en kunnen slechts een aanvulling zijn op de strafrechtelijke procedure. Twee experimenten met slachtoffer-dadergesprekken zijn in opdracht van het ministerie van Justitie onderzocht. Het ging daarbij om een proef met zowel volwassen als jeugdige daders en een proef met  jeugdige daders.

Het Verwey-Jonker Instituut onderzocht de ervaringen van bemiddelaars, jeugdige daders, slachtoffers en hun ouders in zes regio's waar met herstelbemiddeling is geëxperimenteerd. Van september 2004 tot en met oktober 2005 is bij 87 van de 237 aangemelde zaken herstelbemiddeling toegepast, waarbij het kwam tot een directe confrontatie tussen slachtoffer, de dader en hun sociale netwerk. Het ging daarbij met name om delicten waar lichamelijke mishandeling, bedreiging en vernieling en rol speelden. Doorgaans zijn de daders zogeheten first offenders van veertien tot zeventien jaar.

De bemiddelingsgesprekken leidden meestal tot herstel van de relatie tussen jonge daders en slachtoffers die betrokken waren bij het delict. In twee van de drie gesprekken maken de deelnemers afspraken over gedragsregels, zoals de wijze van omgaan met elkaar en vergoeding van de schade. Zowel daders als slachtoffers zijn tevreden over de uitkomsten van herstelbemiddeling en beoordelen de procedure als zorgvuldig en rechtvaardig. Het onderzoek laat zien dat de interventie bijdraagt aan morele zelfreflectie bij jongeren, naar het oordeel van de onderzoekers een voorwaarde voor gedragsverandering. Bovendien
legt de interventie een basis voor een betere omgang met elkaar in de toekomst: dader en slachtoffer zijn doorgaans bekenden van elkaar.

De onderzoekers adviseren alle verwijzingen plaats te laten vinden door het JCO, het Justiteel Casus Overleg. Dat beschikt over de relevante expertise om te beoordelen of zaak en persoon van de dader voor bemiddeling in aanmerking komen. Bovendien vinden de onderzoekers dat de ervaringen met herstelgesprekken beter moeten worden uitgewisseld. Dit kan ervoor zorgen dat herstelbemiddelingspogingen in de toekomst vaker tot gesprekken
leiden. Ook bevelen zij aan dat er meer gebruik wordt gemaakt van alternatieve vormen van
herstelbemiddeling, zoals het schrijven van een excuusbrief.

Onderzoeksbureau Regioplan onderzocht de pilot die in 2004 is gestart bij Slachtofferhulp Nederland. In de pilot konden slachtoffers en daders (zowel jeugdige als volwassenen) met elkaar een gesprek aangaan. Uit de evaluatie blijkt dat de resultaten in aantal sterk achterblijven bij de verwachtingen. Er vinden veel minder gesprekken tussen slachtoffer en dader plaats dan verwacht (37 tegen 250 verwachte gesprekken). Een belangrijke oorzaak daarvan is dat de vrijwilligers van Slachtofferhulp Nederland de mogelijkheid van een gesprek met de dader lang niet altijd voorstellen. De slachtoffers die daadwerkelijk een
gesprek met 'hun' dader hebben gevoerd, zijn in het algemeen tevreden over de procedure en de resultaten. Het gesprek heeft hen naar eigen zeggen geholpen bij de verwerking: het feit dat men vragen kon stellen en de dader kon confronteren met het veroorzaakte leed heeft bij hen positief uitgewerkt.

De slachtoffers die uiteindelijk geen gesprek met de dader hebben gevoerd, meestal omdat de dader niet meewerkte, zijn vaak teleurgesteld. Hoewel een deel van hen de poging om tot een gesprek te komen positief heeft ervaren, vindt het merendeel dat dit niet heeft bijgedragen aan de verwerking.

bron:MinJus