Selecteer een pagina

Het openbaar ministerie heeft in november
2006 een verzoekschrift ingediend om de (Limburgse) Stichting Hells
Angels Nomads in Oirsbeek verboden te verklaren en te ontbinden,
met nevenverzoeken. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van
17 april 2007. Aldaar heeft de Stichting Hells Angels Nomads een
verweerschrift ingediend.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen
dat het openbaar ministerie niet aannemelijk heeft gemaakt dat de
activiteiten van de Stichting Hells Angels Nomads in strijd met de
openbare orde zijn.

Voor een belangrijk deel heeft dit te
maken met de omstandigheid dat de rechtspersoon, de Stichting Hells
Angels Nomads, niet valt te vereenzelvigen met de
“chapter” van de (wereldwijde) Hells
Angels-organisatie, gevestigd en actief te Oirsbeek. Dit heeft
vervolgens weer voor een belangrijk deel te maken met het feit dat
het bestuur over de “chapter” volledig uit andere
personen bestaat dan het bestuur van de Stichting Hells Angels
Nomads. Mede hierdoor kunnen de vele door het openbaar ministerie
aangevoerde handelingen en gedragingen van individuele
“members” van de Hells Angels en die van de
“chapter” van de Hells Angels te Oirsbeek niet steeds
aan de Stichting Hells Angels Nomads worden toegerekend als
handelingen en gedragingen van die stichting.

De activiteiten die de Stichting Hells
Angels Nomads wel kunnen worden toegerekend – kort gezegd:
het ter beschikking stellen van een ruimte en daarmee gelegenheid
geven voor het om het leven brengen van drie “members”
en het daarna strippen en schoonmaken van de betreffende ruimte
– zijn aan te merken als een eenmalig incident. Dit eenmalige
incident, hoe ernstig ook, is niet voldoende om te oordelen dat de
activiteiten van de Stichting Hells Angels Nomads in strijd met de
openbare orde zijn. Op grond van het geldend wettelijk criterium
zou het dan moeten gaan om een structureel patroon van gedragingen
en handelingen in strijd met de openbare orde.

Dat er sprake is van zo’n
structureel patroon is niet vast komen te staan.

Bron: Rechtbank Maastricht