In opdracht van het College van
procureurs-generaal heeft het Team Executie Strafvonnissen (TES) -
een samenwerkingsverband van Openbaar Ministerie (OM) en politie
– op projectbasis de problematiek rondom de tenuitvoerlegging
van onherroepelijke strafvonnissen in kaart gebracht. De
uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden om actief onderzoek te
doen naar de verblijfplaats van voortvluchtige veroordeelden vormde
daartoe de aanleiding.

De inventarisatie is in april 2007
afgerond. Op dit moment wordt er een structureel team opgericht dat
zich bezighoudt met de signalering en de daadwerkelijke opsporing
van voortvluchtige veroordeelden. In het najaar zal dat team -
bestaande uit negen medewerkers van politie én OM, onder
leiding van een officier van justitie – volledig operationeel
zijn. In verband met de aanwezige expertise op het gebied van
internationale rechtshulp is het TES gevestigd bij het
Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) Noord en Oost Nederland in
Groningen.

Wettelijke mogelijkheden

Sinds juli 2005 zijn de wettelijke
mogelijkheden voor politie en OM om actief onderzoek te doen naar
de verblijfplaats van voortvluchtige veroordeelde personen
vergroot. Toen is artikel 565 van het Wetboek van Strafvordering
uitgebreid met een lid op basis waarvan het TES opsporingsmiddelen
mag inzetten die ook in reguliere onderzoeken worden ingezet zoals
observeren en tappen. Vóór juli 2005 kon hiervan geen
gebruik worden gemaakt. Zo konden voortvluchtige veroordeelden toen
alleen landelijk worden geregistreerd in het nationale
opsporingsregister OPS, zodat ze bijvoorbeeld bij een
verkeerscontrole of op Schiphol konden worden aangehouden.

Inventarisatie

In juni 2006 is het TES op projectbasis
begonnen met de inventarisatie van moeilijk executeerbare
vonnissen. Daarbij gaat het vooral om veroordeelden zonder vaste
woon- of verblijfplaats. Het betreft bijvoorbeeld personen die zijn
aangehouden op grond van de Opiumwet en vervolgens met een
dagvaarding zijn heengezonden. Bij de zwaardere delicten betreft
het personen die door de rechtbank zijn vrijgesproken en pas in
tweede instantie, nadat het OM in hoger beroep is gegaan, door het
gerechtshof zijn veroordeeld. Omdat zij in eerste instantie door de
rechtbank waren vrijgesproken konden zij de uitspraak van het
gerechtshof in vrijheid afwachten. Uit de inventarisatie blijkt dat
veroordeelden die in het buitenland zijn geboren én niet te
traceren zijn in Nederland, dikwijls terug zijn gegaan naar hun
geboorteland.

De inventarisatie heeft een globaal beeld
opgeleverd van de aard en omvang van de problematiek. De totale
voorraad bestaat uit 1.372 dossiers waar het TES nu verder
onderzoek naar gaat doen. De veroordelingen betreffen vooral
Opiumwetdelicten (ongeveer 33%) en diefstal en stroperij (ongeveer
25%) maar ook fraude (ongeveer 4%), zeden (ongeveer 3%),
mishandeling (2 à 3%) en misdrijven tegen het leven gericht
(ongeveer 2 à 3 %).

Werkzaamheden TES

De inventarisatie heeft geleerd dat een
actieve opsporing in het merendeel van de gevallen leidt tot
vaststelling van de verblijfplaats van de veroordeelde. Het TES zal
in eerste instantie die zaken gaan behandelen waarin de
veroordeelde nog 300 dagen of meer celstraf heeft uit te zitten.
Veroordeelden die meer dan 120 dagen (maar minder dan 300) celstraf
hebben uit te zitten worden internationaal gesignaleerd.
Veroordeelden die nog een straf van minder dan 120 dagen hebben
staan, zullen - als dat nog gebeurd is - worden opgenomen in het
opsporingsregister OPS. Voor deze prioriteitenvolgorde is gekozen
omdat zaken waarbij nog een vrijheidsstraf boven de 300 dagen
openstaat over het algemeen de zwaardere zaken betreft. Ook het
feit dat procedures die voortvloeien uit internationale rechtshulp
veelal enkele maanden tot een jaar kunnen duren speelt een rol bij
de prioriteitsstelling. Het TES heeft op dit moment alle zaken
betreffende misdrijven tegen het leven gericht, zedendelicten en
mishandeling in behandeling.

Zodra bekend is waar de veroordeelde
verblijft kan deze worden aangehouden. Wordt een verblijfplaats in
Nederland ontdekt, dan ligt de verantwoordelijkheid voor aanhouding
bij de regiopolitie. Wordt de veroordeelde in het buitenland
aangetroffen dan kan diegene aan Nederland worden uitgeleverd of
overgeleverd. Ook kan de tenuitvoerlegging van de straf worden
overgedragen aan de staat waar de veroordeelde verblijft. Dat geldt
bijvoorbeeld voor die staten die geen eigen onderdanen
uitleveren.

bron:OM