Selecteer een pagina

De toetsing van ministeries om de
uitvoering van voorgenomen wetgeving beter te laten aansluiten bij
de behoeften van de burger is te eenzijdig. De toetsing is vooral
gericht op het inventariseren van mogelijke afbreukrisico's en
invoeringskosten voor de overheid, maar juist niet op het
beantwoorden van de vraag of een voorgenomen wet wel leidt tot de
maatschappelijk gewenste effecten. Tot die conclusie komt de vaste
commissie voor Binnenlandse Zaken en Hoge Colleges van Staat van de
Eerste Kamer in haar rapport 'Naar een zichtbaar effectieve
wisselwerking tussen beleid en uitvoering'. Vandaag is het rapport
in de Eerste Kamer gepresenteerd en aangeboden aan de minister Ter
Horst van Binnenlandse Zaken.

De Eerste Kamercommissie doet in haar
rapport tien aanbevelingen aan de regering die moeten leiden tot
een betere wisselwerking tussen beleid en uitvoering. Zo vindt zij
het van essentieel belang dat uitvoeringsinstanties in een zo vroeg
mogelijk stadium moeten worden betrokken bij het beleids- en
wetgevingsproces. Verder is de door de ministeries gehanteerde
definitie van uitvoerbaarheid te beperkt. Die moet niet alleen
gericht zijn op de juridische en technische gevolgen van een
wetsvoorstel, maar juist en vooral op wat nodig is om de gewenste
effecten voor de samenleving en individuele burgers te
bereiken.

Consistent, realistisch en actueel

Ook wil de Eerste Kamer dat vooraf
duidelijk is of voorgenomen beleid of een wetsvoorstel consistent,
realistisch, juist en actueel is en of er voldoende draagvlak is
bij uitvoeringsinstanties en de doelgroep. Hoewel de regering in
haar memorie van toelichting op wetsvoorstellen wel aangeeft wie
zij vooraf heeft geraadpleegd en wanneer, wil de senaat juist weten
wat het commentaar van de direct betrokkenen was. De regering moet
regelmatiger worden aangesproken op meerjarige
wetgevings-programma's, de samenhang ertussen en de
langetermijnvisie.

Pilots

De Eerste Kamer zou ook graag zien dat de
regering meer gebruik maakt van pilots die het mogelijk maken om de
kwaliteit van beleid en wetgeving op bescheiden schaal te testen.
Wetten zouden bovendien voorzien moeten worden van een
horizonbepaling om wetgeving te beëindigen als zij niet meer
past in de uitvoeringspraktijk. Verder moeten beleidsmakers de
Europese ontwikkelingen beter volgen en de politiek en de
uitvoeringsinstanties daarbij betrekken. Tot slot beveelt de Eerste
Kamercommissie de regering aan om nader onderzoek te doen naar de
gevolgen van het feit dat wetten verschillende functies hebben.

Moties

Het rapport is een vervolg op het rapport
'Tussen beleid en uitvoering' uit 2004 van de Algemene
Rekenkamer. Die constateerde destijds dat het de regering en het
parlement ontbreekt aan informatie over hoe een wetsvoorstel in de
voorbereidingsfase precies tot stand komt en welke gevolgen een
voorgenomen wet heeft voor uitvoeringsinstanties en burgers. Dat
gaf de Eerste Kamer aanleiding een eigen onderzoek te starten en
een debat hierover te voeren met de regering. Tijdens dat debat,
dat plaatsvond op 14 september 2004, aanvaardde de senaat
Kamerbreed twee moties die de regering opriepen tot een andere
werkwijze. 'Hoewel de regering meteen haar goede wil heeft
uitgesproken, blijken de maatregelen om aan die moties te voldoen
tot op heden weinig bemoedigend', zo concludeert

de Eerste Kamercommissie nu.
Uitvoerbaarheid van voorgenomen wetten is - naast

rechtmatigheid en handhaafbaarheid -
één van de belangrijkste criteria waarop de Eerste
Kamer wetsvoorstellen beoordeelt.

bron:Eerste Kamer