Uitspraak in kort geding erfgename Goudstikker tegen voormalige advocaat



De voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Gravenhage heeft vandaag uitspraak gedaan in het kort
geding dat de erfgename van wijlen J. Goudstikker had aangespannen
tegen één van haar voormalige advocaten. De erfgename
heeft de betrokken advocaat en een collega in 1997 ingeschakeld in
het kader van haar verzoek aan de Staat om teruggave van 267
kunstwerken die tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig uit het
bezit zijn geraakt van de toenmalige onderneming van Goudstikker.
In februari 2006 heeft de Staat besloten 206 kunstwerken aan de
erfgename terug te geven.

Tussen de advocaten en de erfgename was
een honorariumafspraak gemaakt die op grond van de regelgeving voor
de praktijkuitoefening door advocaten niet is toegestaan. Met de
collega van de bij het kort geding betrokken advocaat heeft de
erfgename inmiddels een regeling over diens honorarium getroffen.
Over een alternatieve honorariumafspraak met de betrokken advocaat
hebben de advocaat en de erfgename van Goudstikker echter sterk
uiteenlopende opvattingen.

Naar voorlopig oordeel van de
voorzieningenrechter kan de oorspronkelijke honorariumovereenkomst
worden geconverteerd in een alternatieve afspraak. Om de vraag te
beantwoorden tot welk bedrag de vordering van de advocaat
vooralsnog dient te worden begroot, heeft de voorzieningenrechter
een voorlopige cijfermatige invulling van de alternatieve afspraak
en het financiële resultaat daarvan gegeven. Voorshands moet
volgens de voorzieningenrechter worden uitgegaan van een bedrag van
€ 9.802.000. Een bankgarantie voor dit bedrag, verminderd met
een uitbetaald voorschot, acht de voorzieningenrechter passend.

De erfgename van Goudstikker had gevorderd
te verbieden dat de advocaat beslag zou leggen op de teruggegeven
kunstwerken. De advocaat had op zijn beurt gevorderd de erfgename
te veroordelen hem een voorschot te betalen van € 2.500.000 en
een bankgarantie af te geven voor een bedrag van € 15.600.000,
verminderd met het toe te wijzen voorschot.

De voorzieningenrechter heeft de advocaat
verboden beslag te leggen op de kunstwerken onder de bepaling dat
de erfgename uiterlijk op vrijdag 2 maart 2007 ten behoeve van de
advocaat een bancaire zekerheid (een door een vooraanstaande
Nederlandse bankinstelling afgegeven abstracte garantie) heeft
gesteld voor een bedrag van € 7.917.000. Het voorschot dat
door de advocaat was gevorderd is toegewezen voor een bedrag van
€ 1.885.000.

Bron: Rechtbank 's-Gravenhage



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: