De gemeente Utrecht moet snel een einde maken aan het toestaan van kinderopvangcentra die geen of onvoldoende buitenspeelruimte hebben. Dit schrijft minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer. De minister reageert hiermee op een onderzoek van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) naar het beleid dat de gemeente Utrecht hanteert voor toezicht op de kinderopvang. Dit onderzoek is vandaag naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd.

Volgens de Wet kinderopvang moet de gemeente toezicht houden op de kwaliteit van de kinderopvangcentra. De minimumnormen voor de buitenspeelruimten van kinderdagverblijven zijn vastgelegd in het convenant kwaliteit kinderopvang dat is afgesloten tussen de brancheorganisaties en BOinK (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang). In tegenstelling hiermee mogen kinderopvangcentra in Utrecht met onvoldoende buitenruimte van het College van Burgemeester en Wethouders tot 2009 afwijken van die normen. IWI acht de uitvoering van dit beleid onaanvaardbaar.

De minister onderschrijft in een brief aan het college van B&W van Utrecht de ernst van de situatie. Deze brief is vandaag naar het college gestuurd. Hij wil dat de gemeente stopt met het beleid om kinderopvangcentra zonder (voldoende) buitenspeelruimte nog drie jaar lang toe te staan. De minister wil dat de gemeente elk kinderdagverblijf apart gaat controleren en afspraken maakt over de termijn waarbinnen aan de normen voor buitenspeelplaatsen moet worden voldaan. Voor 1 januari 2007 moet het college van B&W aan de minister laten weten of ze hieraan zal voldoen. Als dit niet tot een goede oplossing leidt, kan de minister - als laatste stap - de gemeente een aanwijzing geven. Zo’n aanwijzing is dwingend, maar de gemeente kan wel naar de rechter stappen om deze aan te vechten. Verder laat de minister door IWI uitzoeken of er meer gemeenten zijn die zich niet houden aan de eisen voor de buitenspeelruimte en welke maatregelen deze gemeenten hebben genomen.

bron:SZW