Verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar lagelonenlanden heeft voordelen en hooguit bescheiden nad



Op de lange termijn en voor Nederland als geheel is verplaatsing van
bedrijfsactiviteiten als goederenproductie en programmeerwerk naar
lagelonenlanden gunstig. De beroepsbevolking van elk land kan dan
worden ingezet voor het werk dat de grootste toegevoegde waarde
oplevert. Specialisatie op activiteiten die onder meer een hoog
kennisniveau vereisen, is het meest lonend voor een hoogontwikkelde
economie als Nederland. Er valt daarentegen in westerse landen weinig
winst te behalen uit massaproductie. Die kan beter plaatsvinden in
lagelonenlanden. Internationale handel zorgt er dan weer voor dat we
via goedkope importen voordeel hebben van het verplaatsen van
dergelijke bedrijfsactiviteiten.

Voortgaande internationalisering leidt
tot meer verplaatsing van bedrijfsactiviteiten. Dit kan ook nadelen
hebben. Zo neemt voor eenvoudig, gestandaardiseerd werk de concurrentie
uit lagelonenlanden toe. Dit zet de winsten van sommige bedrijven onder
druk. Verder verslechtert het de arbeidsmarktpositie van sommige, vaak
laaggeschoolde, werknemers. Een andere zorg is dat verplaatsing met
massaontslag gepaard zal gaan. De nadelen lijken echter bescheiden. Je
mag verwachten dat bij verplaatsing van bedrijfsactiviteiten de
importen uit het desbetreffende lagelonenland ook zullen toenemen. Het
economische verkeer met lagelonenlanden groeit weliswaar, en soms zelfs
snel, maar valt nog steeds in het niet bij de handels- en
investeringsstromen van en naar rijke landen. De effecten van
verplaatsing zijn derhalve nog gering. Gegeven beleid dat de
structurele kenmerken van de economie verbetert, lijkt aanvullend
beleid om bedrijven aan Nederland te binden in de regel niet nodig.
Vaak zal het ook weinig effectief zijn.

Dit zijn enkele conclusies uit het vandaag verschenen CPB Document
Verplaatsing uit Nederland; Motieven, Gevolgen en Beleid, dat op
verzoek van het Ministerie van Economische zaken geschreven is.
Verplaatsing van bedrijfsactiviteiten trekt meer en meer de aandacht.
Dat is niet verwonderlijk. Door internationalisering neemt verplaatsing
in omvang toe, ook in sectoren die diensten produceren en/of
geavanceerde technologieën gebruiken. Het CPB Document gaat in op drie
vragen rond verplaatsing: (i) waarom is er verplaatsing?; (ii) wat zijn
de gevolgen?; (iii) wat is de rol van overheidsbeleid?

Waarom is er verplaatsing?
Door uitbestedingen aan of door investeringen in het buitenland
benutten bedrijven kostenverschillen tussen landen. In het ene land is
ongeschoolde arbeid overvloedig aanwezig en relatief goedkoop; in het
andere land is juist relevante kennis bij werknemers aanwezig. Het
verkeer met lagelonenlanden wordt in hoge mate door kostenverschillen
gedreven. In omvang groeit het verkeer snel, maar het valt nog steeds
in het niet bij het totale onderlinge verkeer tussen rijke landen. Dat
wordt ingegeven door een ander motief dan kostenverschillen, namelijk
markttoegang. Bedrijven hebben een voorkeur voor locaties in de buurt
van afnemers, leveranciers of werknemers. Nederland koopt en investeert
dan ook meer in rijke dan in arme landen. Overigens sluiten beide
motieven elkaar niet uit: China biedt het voordeel van zowel
overvloedige ongeschoolde arbeid als van een grote markt.

Wat zijn de gevolgen van verplaatsing voor Nederland? Verplaatsing van
bedrijfsactiviteiten is een onlosmakelijk onderdeel van economisch
verkeer tussen landen. Aan dat verkeer ontleent Nederland verschillende
voordelen. Zo kan Nederland goedkoop importeren, en voor export naar en
kapitaal in het buitenland een goede prijs krijgen. Verder leidt vrij
verkeer onder meer tot een ruimer aanbod van gespecialiseerde producten
en betere toegang tot buitenlandse kennis. Internationaal verkeer heeft
echter niet alleen voordelen, en de voor- en nadelen zijn ongelijk
verdeeld. Ten eerste zullen sommige sectoren en groepen werkenden te
lijden hebben van sterkere buitenlandse concurrentie -- door de opkomst
van lagelonenlanden als China en India. Dit geldt met name voor
sectoren en werkenden die met relatief eenvoudig, laaggeschoold werk
geld verdienen. Voor de gehele economie kan dit nadeel niet groot zijn:
Nederlandse handels- en investeringscijfers laten namelijk zien dat
deze stromen slechts in beperkte mate van en naar lagelonenlanden gaan.
Ten tweede kan verplaatsing de dynamiek op de arbeidsmarkt verder
vergroten, waardoor meer werkenden tijdelijk zonder baan komen te
zitten. Ook dit nadeel kan voor de gehele economie niet groot zijn: het
bruto verlies aan banen door verplaatsing valt in het niet bij het
aantal banen dat jaarlijks op de Nederlandse arbeidsmarkt verdwijnt, en
wordt gecreëerd. Van pijnlijke aanpassing valt moeilijk te spreken.
Desondanks trekken de mogelijke nadelen onevenredig veel aandacht: de
nadelen voor sommige bedrijven en werkenden zijn vaak zichtbaarder dan
de voordelen, die zich door de gehele economie verspreiden en aan velen
toevallen.

Wat is de rol van overheidsbeleid?
De algemeen-economische kenmerken van landen - bijvoorbeeld scholing
van de beroepsbevolking en marktomvang - bepalen in belangrijke mate
het internationale handels- en investeringspatroon. Vaak zal beleid
vestigingsbeslissingen slechts effectief veranderen als het die
kenmerken weet te beïnvloeden. Een uitzondering hierop is mogelijk de
vennootschapsbelasting. Enige vorm van Europese coördinatie op dit
gebied kan wenselijk zijn. Er is feitelijk weinig grond om de ene
activiteit (bijvoorbeeld schoenenproductie) boven een andere activiteit
te verkiezen en specifiek beleid te ontwikkelen voor het binnenhalen of
het behouden van die activiteit. Een uitzondering hierop vormt
onderzoek & ontwikkeling, dat een gunstig neveneffect op nationale
productiviteit heeft. Er zijn echter geen aanwijzingen dat onderzoek
& ontwikkeling per saldo Nederland verlaat.

Bron: Centraal Planbureau



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: