De rechtbank heeft op 10 november een man
uit Wijk bij Duurstede veroordeeld tot een voorwaardelijke
gevangenisstraf van één jaar (proeftijd t.a.v.
algemene voorwaarde: 2 jaar; t.a.v. bijzondere voorwaarde: 3 jaar).
De rechtbank acht bewezen dat verdachte met een volle fles
meermalen op het hoofd van zijn echtgenote heeft geslagen. De
rechtbank is er van overtuigd, dat verdachte niet de bedoeling had
zijn echtgenote te doden.

Poging tot moord (met voorbedachten
rade)

De rechtbank is van oordeel, dat, gezien
het tijdsverloop, gelegen tussen het moment waarop verdachte de
fles uit de kamerkast heeft gepakt en het moment waarop verdachte
haar meermalen met die fles heeft geslagen, vast is komen te staan,
dat verdachte tijd heeft gehad na te denken over de betekenis en de
gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te
geven.

Voorwaardelijke opzet

Wel meent de rechtbank, dat het opzet van
verdachte in voorwaardelijke zin was gericht op de dood van zijn
echtgenote. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig,
indien iemand zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de
aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden, hij wetenschap had
van deze kans en deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging op
de koop heeft toe genomen.

Het is een feit van algemene bekendheid
dat het onverhoeds slaan met een volle en dus zware glazen fles op
het hoofd van iemand met grote waarschijnlijkheid levensgevaarlijke
verwondingen met zich meebrengt. Doordat verdachte zijn echtgenote
meermalen op haar hoofd heeft geslagen, heeft hij welbewust de
aanmerkelijke kans aanvaard, dat hierdoor, zij als gevolg hiervan
zou komen te overlijden. Aldus heeft verdachte gehandeld met opzet
in de zin van voorwaardelijk opzet.

Strafoplegging

Wat betreft de ernst van het feit en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in
aanmerking genomen, dat het bewezenverklaarde feit als
één van de meest ernstige strafbare feiten die het
strafrecht kent kan worden gekwalificeerd. Een feit waarvoor
doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke
duur wordt opgelegd.

De bijzondere omstandigheden van het
onderhavige geval rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank
evenwel niet het opleggen van een langdurige gevangenisstraf,
hetgeen ook de officier van justitie in de door haar gevorderde
straf tot uitdrukking heeft willen brengen. De rechtbank is
namelijk van oordeel, dat het bewezenverklaarde feit als een uniek
en eenmalig incident moet worden beschouwd, gelet ook op de inhoud
van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële
documentatie van 29 juni 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet
eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld en gelet op de
leeftijd van verdachte. Dat het hier niettemin een ernstig incident
betreft, waarbij verdachte zijn echtgenote, met wie hij al bijna 50
jaren een paar vormt, grote angst en schrik heeft aangejaagd, heeft
ook verdachte vrijwel onmiddellijk na het begaan van zijn daad
beseft.

Dit blijkt -onder meer- uit het feit, dat
hij uit eigener beweging de hulpdiensten heeft gealarmeerd en ten
overstaan van de politie alsook ter terechtzitting volledige
openheid van zaken heeft gegeven. Het bewezenverklaarde feit heeft
voor verdachte ook voor een doorbraak gezorgd in het verzwijgen van
zijn financiële problemen, in die zin dat die daardoor
plotseling bespreekbaar werden en verdachte daarvoor inmiddels
passende maatregelen heeft getroffen. Veelzeggend is voor de
rechtbank ook het feit dat verdachtes echtgenote en zijn kinderen
er inmiddels alles aan doen om met verdachte samen de
financiële problemen op te lossen en het gezinsverband hebben
hersteld.

Bron: Rechtbank Utrecht