Woningcorporaties: meer prestaties en meer ruimte voor ondernemen



De ministerraad is op voorstel van minister Dekker van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer akkoord gegaan met een systeem om de prestaties van corporaties en de inzet van hun vermogen voor het wonen zekerder te stellen. Daarnaast geeft de minister meer ruimte aan corporaties voor maatschappelijk ondernemerschap. De minister heeft hierover een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. Zij streeft ernaar de eerste beleidswijzigingen begin 2007 door te voeren.

De afgelopen jaren is veel discussie geweest over de maatschappelijke prestaties van de corporaties. De minister heeft nu samen met Aedes vereniging van woningcorporaties een nieuwe lijn uitgezet die helderheid moet bieden aan corporaties en betrokken organisaties.

Prestaties
Minister Dekker wil dat corporaties tot 2010 111.000 woningen bouwen van de totaal 435.000 te bouwen woningen om het woningtekort terug te dringen tot 1,5% in dat jaar. Daarnaast verwacht zij van hen meer investeringen in de oude wijken. De huidige vrijblijvendheid rond de prestaties wil zij laten verdwijnen en daarvoor komt zij met het volgende systeem. Mede op basis van de landelijke opgaven voor woningbouw en herstructurering geven de gemeenten hun visie op het wonen in de lokale situatie en welke prestaties van de lokaal opererende corporaties zij verwachten. De corporaties moeten hierop een concreet investeringsbod uitbrengen, zoals ook voor commerciële bedrijven kan gelden. Corporatie en gemeente maken vervolgens afspraken.

Als er problemen optreden bij het maken van de prestatieafspraken, speelt voor de minister 'mediation' als vorm van bemiddeling een belangrijke rol. Mocht mediation niet tot een oplossing leiden, dan zal de minister het conflict beoordelen. Zij hanteert daarbij een geobjectiveerde investeringsdoelstelling, bijvoorbeeld een vast percentage van het vermogen.

De investeringsdoelstelling geeft aan wat redelijkerwijs van iedere corporatie aan
investeringen verwacht mag worden in iedere gemeente waar die corporatie substantieel bezit heeft. Blijft een corporatie in gebreke, dan volgen sancties. Uitgangspunt is wel dat de gemeentelijke woonvisie redelijk is. Als de gemeente geen, of een onredelijke woonvisie heeft spreekt de minister het gemeentebestuur daarop aan. De minister gaat er overigens vanuit dat gemeenten en corporaties er samen uitkomen. Ook verwacht zij dat corporaties lokale stakeholders, waaronder huurders, betrekt in dit proces.

Om de concurrentie tussen corporaties te bevorderen en gemeenten daarmee de keus te bieden welke corporatie de lokale opgave realiseert, wil de minister corporaties de mogelijkheid geven overal in het land te investeren. De corporatie moet dan wel in de gemeente waar zij substantieel bezit heeft haar woningen op niveau onderhouden en beheren. De minister let tot slot op de effecten van schaalvergrotingen die zich in de sector voordoen.

Activiteiten
Minister Dekker benadrukt dat de missie van de corporaties de brede zorg voor het wonen is, waarbij zij ook huishoudens huisvesten die niet tot de aandachtsgroep behoren. Doelstellingen van de corporaties zijn het primair toewijzen van woningen aan de aandachtsgroep en de aanpak van wijken door herstructurering en woningbouw. Maar ook sociale maatregelen zoals een buurtbeheerder, of het realiseren van vastgoed voor bijvoorbeeld scholen of zorginstellingen gerelateerd aan de gewenste wijkontwikkeling.

Deze missie bepaalt ook de breedte van de toegestane activiteiten. Conform haar eerder besluit wil de minister daarbij eerlijke concurrentie met de markt bevorderen en voorkomen dat staatssteun gaat naar activiteiten die corporaties in concurrentie met de markt doen. Er zal dus een duidelijk onderscheid gelden tussen sociale activiteiten met staatssteun en marktconcurrerende activiteiten zonder staatssteun. Voorbeelden van activiteiten met staatssteun zijn: bouw, verhuur, onderhoud, renovatie en verkoop van huurhuizen waarvoor structureel beschermende huurprijsregels gelden en de bouw, verhuur en onderhoud van scholen, zorgpunten en dergelijke. Activiteiten zonder staatssteun zijn bouw, verhuur enzovoorts van huurhuizen waarvoor geen huurprijsregels gelden en bouw enzovoorts van onroerend goed met commerciële bestemming. Met de scheiding wil de minister ook voldoen aan de eisen die de Europese Commissie stelt.

Governance en toezicht
De minister acht de corporaties zelf primair verantwoordelijk voor hun eigen functioneren.Zij moeten zorgen voor een goed bestuur en zich over hun handelen verantwoorden. Benchmarking en onafhankelijke visitatie ziet de minister als instrumenten waarmee de sector er zelf voor kan zorgen dat de gewenste maatschappelijke prestaties tot stand komen. Stakeholders moeten daarbij uitdrukkelijk worden betrokken.

De minister ziet een cruciale rol weggelegd voor het intern toezicht, dat volgens haar nog wel verder moet professionaliseren. Zij kondigt aan dat er voor de minister een
mogelijkheid komt om het intern toezichtsorgaan te ontslaan als dit evident
disfunctioneert. Op een later moment zal zij met voorstellen komen voor de inrichting vanhaar eigen volkshuisvestelijk toezicht op het functioneren van de corporaties en de rol van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting daarin.

bron:VROM



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: